Overdenkingen bij Heilige onrust. Een pelgrimage naar het hart van religie.

Afgelopen weekend las ik het laatste boek van filosoof en theoloog Frits de Lange getiteld Heilige onrust. Een pelgrimage naar het hart van religie – een mooi geschreven en grondige analyse van de mogelijkheid van geloofsbeleving in onze geseculariseerde tijd – een tijd die ook door traditioneel gelovigen steeds meer beleefd wordt zonder het uitzicht op een hiernamaals en ook zonder een functioneel bezielend verband in het hiernumaals.

Aan de hand van de metafoor van de pelgrimage maakt De Lange op een aantrekkelijke wijze zichtbaar wat er met ons Godsbeeld is gebeurd en gaat hij in op de vraag wat er overblijft als we alles auteurachterlaten en de rauwe afwezigheid van een godsdienstige erfenis tot ons door laten dringen.

De metafoor van de pelgrimage is een aantrekkelijke keuze gezien de populariteit ervan, ook in kringen van ongelovigen. Tot jezelf komen, leeg worden, …. Er zijn allerlei motieven voor. De moderne pelgrim is het niet te doen om de bestemming, zoals vroeger de aanbidding van relikwieën dat was opdat… De reis zelf is doel geworden en het zelf is het object van dat doel. Het bereiken van de bestemming eindigt voor menigeen in een teleurstellende apotheose en is veeleer het einde van het verlangen. Zo wordt de pelgrimage tot metafoor van het leven zelf en van de relatie van de mens tot God: hem of haar wacht geen paradijs of iets van dien aard maar gaat het om het leven zelf.

Dat laatste gaat dan weer niet vanzelf. Mooi is hoe De Lange schetst dat het persoonlijke leven steeds meer en vaker wordt benaderd als een project dat moet worden gemonitord in plaats van als een traject dat wordt afgelegd met tal van onvoorziene omstandigheden.  Illustratief is het verschil 330px-Francesco_Bassano_-_Abraham_vertrekt_uit_Harantussen de aartsvader Abraham als geroepene om weg te trekken uit de vertrouwde omgeving om nooit meer terug te keren enerzijds en Odysseus anderzijds die na 20 jaar weer thuiskomt en de boel weer overneemt. Het is het verschil tussen gehoor geven aan een innerlijke drang, aan een gevoel van gedreven zijn tegenover het planmatige, rationele handelen in termen van doelen en middelen en zonder psychologische ontwikkeling.

We kunnen volgens De Lange veel leren van het verschil tussen Joods denken over tijd en over het leven ‘vooruit leven’ aan de ene kant en het toch nog zo in het Christendom dominante Griekse denken in termen van boven en onder. Wie, zoals de Jood, vooruit leeft, leeft vanuit de verwachting dat het morgen beter kan zijn. In dit beeld is de mens steeds onderweg.

De moderne pelgrim heeft tijdens zijn tocht geen grote metafysische of religieuze visioenen; de netto-opbrengst reikt vaak niet verder dan wat persoonlijke leermomentjes die vooral van belang zijn voor boekde omgeving. Hier ligt opnieuw een parallel met de religie.

De uiteindelijke conclusie van De Lange is een godsdienst die het kan stellen zonder God en die er vooral in bestaat het leven te beamen en de uitnodiging te genieten van al die momenten waarin het leven de moeite waard was om geleefd te worden: de ervaring van momenten van intensivering van het leven – de Nederlandse filosofe Joke Hermsen zou zeggen: de beleving van de spaarzame ‘Kairos-momenten’. De Lange vat deze momenten op als manifestaties van ‘het eeuwige leven’ in het hier en nu. Hij voegt er nog iets aan toe: voor die ervaring van het leven, voor die geïntensiveerde momenten hebben we niet veel nodig en moeten we vooral dicht bij onszelf blijven en onszelf van alle opsmuk en grootmakerij ontdoen. Juist dan staan we optimaal open voor de volheid van het leven.

De Lange is een doorgewinterd theoloog en filosoof. Het verwondert dan ook niet dat hij in zijn aantrekkelijke en diepgaande analyses uit beide ruiven eet en niet alleen dat. Hij consumeert ook reisverslagen van pelgrims (Rufin, Vuijsje) die hij beschouwt als reisgenoten voor zichzelf. Boeiend is ook de passage waarin hij het werk van de Indiase filosoof Jarava Lal Mehta bespreekt die het canonieke werk van Hans-Georg Gadamer over hermeneutiek onder fundamentele kritiek stelt namelijk als exponent van typisch ‘Westerse heldhaftigheid’. Leerzaam!

Tot zover een eerste korte weergave van de strekking van dit intrigerende boek dat tot nadenken aanzet. Bij mij gebeurde dat in elk geval wel en het leverde een reeks reflecties op die ik graag met je deel. Het zijn persoonlijke reflecties waarin ik ook mijn eigen ervaringen verwerk. Bij die reflecties verwerk ik ook inhoudselementen uit het boek die in het voorgaande nog niet aan de orde kwamen.

Reflecties

1. De Lange rekent af met geloof als overgave aan een God die voor je zorgt, als een God die de gaten in ons menselijk tekort opvult. Hij vindt dat een zwaktebod van de mens die het vollKierkegaarde leven en de verantwoordelijkheid daarvoor, liever ontwijkt, er de moed niet voor heeft. Dat kan ik begrijpen maar waarin is dit gevoel van behoefte aan geborgenheid (en vaak ook aan aanvaarding) dan gefundeerd? Is het echt existentiële angst of is het ook (mét Abraham) antwoord geven op een vraag, met andere woorden de respons op de ervaring geroepen te zijn? Met nog andere woorden, komt de vraag strikt van binnenuit of is er toch ook de ervaring van een gene zijde vanwaar de roep klinkt? En als er de ervaring is van meer, is dat dan een ongeoorloofde ervaring, of een valse, een vorm van zelfbedrog? (Ik zou bij Kierkegaard kunnen kijken of deze reflectie te verdiepen is – iets voor een later moment.)

2. Hetzelfde maar dan anders. Gisteren sprak ik een 88-jarige non over ‘de toestand in de kloosters in deze tijd’. Kloosters hebben het moeilijk. De exploitatiekosten zijn hoog, traditionele inkomstenbronnen komen droog te staan en de aanwas van jong bloed is beperkt. Dat zou tot somberheid kunnen stemmen maar niet bij haar. Ze gaf aan dat ze vol vertrouwen is. ‘We zijn een oude orde, een taaie en hebben vaker mindere tijden gekend en zijn daar steeds weer bovenop gekomen.’ Ik vond haar opmerking typerend voor het diepe vertrouwen in de voorzienigheid van God die ik als protestant benijdenswaardig vind aan de katholieke traditie. Ik ervaar dit vertrouwen als meer, als groter en dieper dan de simpele behoefte aan de gatenvuller die de mens nodig zou hebben.

3. Een heel andere reflectie. Bij dit soort boeken over ‘de moderne mens’, over de traditionele gelovige die de weg kwijt is of die het gevoel heeft met lege handen te staan – ik heb er allemaal beelden bij en herken me er ook in, maar vraag me tegelijkertijd af aan wie ik dan moet denken. Op wie heeft de analyse betrekking? Op ‘de intellectuelen’ onder de gelovigen, de mensen die doorgeleerd hebben en bekend zijn met de door De Lange genoemde denkers als Bonhoeffer, Nietzsche, Derrida,…? Op de culturele (vleiend zelfbenoemd als ‘boven’-) laag die dit soort studies leest? Gaat het impliciet over de protestantse generatie van mijn leeftijd waartoe ook De Lange behoort? Of is de analyse generieker bedoeld, betrekking hebbend op alle mensen van dit moment, jong en oud? Anders gezegd: hoe moet ik dit zien als ik denk aan de bekende studie van Motivaction over bijvoorbeeld Mentality-milieus. Vanuit de sociologie zijn er qua levensoriëntaties nogal verschillen …… Kun je daar als filosoof omheen?

4. De Lange maakt een interessant (en naar ik begrijp wat ongebruikelijk) onderscheid tussen geloof en religie waarbij de laatste staat voor de culturele aanwas van rituelen en gewoonten, samengevat als de institutionele kant van geloof. Religie is ‘een construct van praktijken, voorstellingen en geloofsuitspraken waarmee in de moderne cultuur aan geloof collectief gestalte is gegeven.’ Als je dat alles afpelt, houd je geloof over. ‘Wie gelooft, heeft iets van overstijgend, waarachtig leven ervaren en geeft zich aan die ervaring gewonnen.’ (pag. 23). Ik begrijp dit verschil maar heb tegelijk het gevoel dat De Lange tekort doet aan het belang van rituelen. Zijn het immers niet de rituelen die rond geïntensiveerde momenten als geboorte en dood dragers zijn van waarachtig leven? Reiken rituelen ‘de taal en tekens’ aan om überhaupt de momenten van geïntensiveerd leven te ervaren en te benoemen waardoor ze als het ware het noodzakelijk substraat vormen van die ervaringen, om niet te zeggen: de mogelijkheidsvoorwaarde?

clarissenIk schrijf deze bespreking tijdens een retraite in het Clarissenklooster in Megen en ervaar aan den lijve, zoals altijd tijdens mijn verblijf hier, hoe belangrijk rituelen rond eucharistie maar ook in de dagdagelijkse dingen zoals maaltijden zijn. En zijn ook de nieuw ontwikkelde collectieve seculiere rituelen zoals bij de terugkeer van de slachtoffers van de MH17 ramp niet te omschrijven als ‘geloof’? Sterker nog, zouden die niet religieuze rituelen niet ook tot nadenken kunnen stemmen over dat wat groter is dan de mens?

5. Onlangs las ik ook het boek van Edward O. Wilson, Het raadsel van het menselijk bestaan. Hoewel vanuit een heel andere invalshoek zijn er interessante raakvlakken tussen beide boeken. De uitgangspositie is volstrekt verschillend. De Lange is filosoof en theoloog, Wilson is bioloog maar beiden zijn bezig met de vraag of wij in deze tijd nog wel zoiets als God nodig hebben (deze vraag 399px-Plos_wilsontypen heeft voor mij, zo merk ik al doende, al iets blasfemisch). Wilson is er op uit om de zo gescheiden opererende werelden van de natuurwetenschappen en die van de geesteswetenschappen weer bij elkaar te brengen met het oog op één samenhangende visie op de evolutie en daarmee op het raadsel van de mens. Ik las er veel interessante dingen in maar blijf wel met de conclusie achter dat Wilson de mens toch allereerst als materie ziet en als een toevalstreffer op een laat moment in de evolutie. Met God of met een Schepper heeft dat alles niets van doen. De mens heeft uiteindelijk niet meer nodig dan de verklaring dat zijn ontstaan berust op toeval. Meer ook niet. Voor mijn gevoel gaat Wilson daarmee voorbij aan veel raadselzaken die De Lange juist intrigeren en waarvoor de biologie de oplossing niet levert: de drang tot leven. Laat die drang zich biologisch afdoende verklaren?

6. De Lange en ik zijn ongeveer even oud en delen dezelfde protestantse achtergrond. Ik herken veel in het beeld dat hij schetst van de laatste pakweg 60 jaar, de tijd waarin wij opgroeiden en leven. En bedenk me dat onze beelden over God en geloof al weer anders zijn dan die van de generatie na ons, van onze kinderen. Hun wereld ziet er anders uit dan de onze ook al leven we tegelijkertijd en in dezelfde omgeving. Fascinerend, die synchrone ongelijkheid! Een filosofisch interessant thema, ook als het om religie gaat.

7. Pelgrimeren mag dan ingegeven zijn door doelen als (vroeger) ‘God ontmoeten’ en (nu) ‘mezelf leren kennen’ – naast dit ‘geestelijke’ of spirituele motief is pelgrimeren allereerst ook een lichamelijke activiteit. Je doet het met je voeten en zeker als je 1000 km aflegt en maanden onderweg bent, verlies je een paar kilo lichaamsgewicht en krijg je daar allerlei lichamelijk ongemak zoals blaren voor terug. Dat die ongemakken veel aandacht opeisen van de pelgrim is dan ook niet verwonderlijk en verre van banaal. Pelgrimeren voltrekt zich in de volharding en drang om voet voor voet te blijven zetten en wordt daarmee een mooi beeld voor het leven zelf. De Lange wijst op het tegendeel, op de last van depressiviteit waarin de moeite er vooral in bestaat die stappen wel te blijven zetten en elke dag opnieuw uit bed te komen, om het leven weer aan te gaan. Pelgrimeren is dus voet voor voet zetten en ervaren dat er iets is dat dat mogelijk maakt. Pelgrimeren is een sterk fysieke ervaring. Grappig vind ik het dan om te lezen dat De Lange van zichzelf zegt helemaal geen wandelaar te zijn en er ook geen ervaring mee te hebben. De pelgrimage is voor hem interessant als metafoor voor de tocht naar binnen, naar de kern van de religie. Toen ik dit aan het begin van het boek las en dus vaststelde dat de intellectuele pelgrimage niet vergezeld ging van of voorafgegaan was door een fysieke pelgrimage moest ik, heel flauw geef ik toe, denken aan een Tv-interview met bioloog Midas Midas_Dekkers_2Dekkers en een jonge kampioene in een vechtsport (haar naam ben ik kwijt en het fragment is op YouTube niet terug te vinden). Dekkers mocht in dit gesprek zijn afkeer van sport ventileren maar kreeg mooi tegenspel van de kampioene die hem wist te verleiden tot de bekentenis dat hij geen ervaring had met zweet op gezicht en rug als gevolg van een sportieve inspanning. Voor de kampioene een onbegrijpelijke situatie, voor mij als kijker leidend tot de conclusie ’waar praat je over als je zelf niet de minste ervaring hebt met je onderwerp?!’ (Met dit jaar nog mijn 32ste marathon op het programma meen ik aardig te weten waar de kampioene op doelde, waardoor Dekkers’ verhaal voor mij elke geloofwaardigheid verloor.)

Bedoel ik nu te suggereren dat ook De Lange voor mij een ongeloofwaardig betoog houdt? Ik geef toe: aanvankelijk had ik mijn aarzeling maar al lezende draaide dat bij. Het zou tekort doen aan de alleszins lezenswaardige en behartenswaardige gedachten die het boek rijk is. Bovendien, De Lange schrijft helder en is in staat ook lastige auteurs als Heidegger en Derrida toegankelijk het verhaal binnen te loodsen.

Allengs was zelfs het omgekeerde het geval en vroeg ik me af wat de toegevoegde waarde zou zijn als De Lange zijn grote filosofische en theologische bagage in zijn rugzak mee zou nemen en echt 1024px-Stjacquescompostelle1aan de tocht naar Santiago de Compostella zou beginnen. Voorlopig kan ik daar alleen maar van dromen.

8. De Lange identificeert ‘eeuwig leven’ met momenten van overweldigende intensivering van het besef in leven te zijn. Mijn nieuwsgierige vraag is dan: is het schrijven van dit boek voor de auteur zelf zo’n moment van ‘eeuwig leven’ geweest?

9. De Lange eindigt zijn boek met een mooie beaming van het leven. Uiteindelijk blijft voor mij onbeslist of zijn pelgrimage naar het hart van religie dat hart ook werkelijk gevonden heeft. Zo lijkt het erop dat in de beaming van het leven het bestaan van God er niet toe doet. Beter gezegd, je hebt er God niet voor nodig. Op een ander, eerder moment heeft De Lange het echter over ‘messianiteit als fundamentele structuur van de menselijke verwachting’. Daar bedoelt hij dan toch echt wel iets meer mee dan ‘vooruit denken’, toch? Impliceert dat door de aanduiding alleen al geen afscheid van God? Of is messianiteit net als pelgrimage niet meer dan een metafoor? En als het niet meer is dan dat, welke werkelijkheid wordt dan in dat woord ontsloten?

10. De voorgaande opmerking over het woord ‘messianiteit’ geldt ook voor de metafoor van de pelgrimage. Het interessante van het gebruik van metaforen is dat je het onbekende verkent via het bekende. Je gebruikt dus de kenmerken van de reële pelgrimage als ingang om iets anders te onderzoeken: de pelgrimage naar het hart van religie. Metaforen kunnen daarbij inderdaad heel goed helpen, maar er zit ook een keerzijde aan: de metafoor creëert een eigen werkelijkheid. Anders gezegd, misschien is een verkenning van het hart van religie gebaat bij toepassing van meerdere metaforen zodat een breder beeld ontstaat – onverlet mijn waardering voor het beeld dat De Lange schetst.

11. Tot slot. Beamen van het leven, het gevoel ervaren dat je leeft, wordt dat niet ook bepaald door de Grapevinesnail_01geschiedenis die we met ons meedragen? Nemen we die niet met ons mee als het huisje op de rug van de slak? En zit dat huisje niet vaster op die rug dan de rugzak van de pelgrim?

 

 

Wat was het kloosterverblijf weer een mooie, stimulerende omgeving om met dit intrigerende boek van De Lange bezig te zijn. Zegt dat ook nog iets? Voor mij wel!

 

Frits de Lange, Heilige onrust. Een pelgrimage naar het hart van religie. Utrecht: Ten Have 2017. ISBN 978 90 259 0554 5.

Edward O. Wilson, Het raadsel van het menselijk bestaan. Amsterdam University Press 2014. ISBN 978 90 8964 818 1.

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , | Leave a comment

Wat ik leerde toen ik werkte

Morgen lever ik mijn leaseauto in, mijn tankpas, laptop en telefoon. Vandaag de laatste klus gedaan – een mooie opdracht en daarmee waardige finale. Het zit erop. Morgen met pensioen. Het afscheid van de collega’s heeft een paar weken terug al plaatsgevonden, net voor de eerste vakantieperiode begon. Een heel fijne en intieme gebeurtenis waar ik met veel plezier op terugkijk. Ruim 39 jaar fulltime gewerkt en daarvoor enige jaren parttime als student-assistent. Opgeteld niet langer dan in totaal drie, vier weken ziek geweest. Vaak lange dagen gemaakt, veel op de weg gezeten ook. Hard gewerkt, met op de achtergrond het calvinistische arbeidsethos: het gevoel van een opdracht maar ook, vooral de laatste maanden, een diep gevoel van dankbaarheid voor wat mogelijk was. Ik noem het genade.En veel, heel veel geleerd.

Zoals hoe je met collega’s omgaat en met leidinggevenden.

Hoe je je gevoel voor pluis/niet pluis ten aanzien van mensen en situaties cultiveert.

Hoe je leert onderscheiden tussen macht en gezag (geattribueerde macht).

Hoe je leert dat (persoonlijk) leiderschap vooral bestaat uit ‘doen wat bij jou past’ in relatie tot anderen.

Hoe je zelf leiding kunt geven en wat je daar zelf dan weer van vindt.

Hoe je steeds zoekt naar het leveren van toegevoegde waarde voor je opdrachtgever. En dat is echt iets anders dan ‘je eigen ding doen’ (je kunstje vertonen).

Hoe je leert om met feedback om te gaan en hoe lastig dat toch blijft.

Hoe je verantwoordelijkheid moet nemen voor je eigen ontwikkeling en die dus zelf moet organiseren.

Hoe je ‘afscheid neemt’ van een gewaardeerde maar niet goed functionerende collega, zonder enig dossier.

Hoe je bij het ontstaan van een mismatch tussen jou en de organisatie waar je bij werkt, de regie over je eigen bestaan niet uit handen moet geven, opdat je welbevinden niet afhankelijk is van een ander.

Hoe je in tijden van een crisis in de organisatie niet meegesleurd hoeft te worden in de neerwaartse spiraal.

Hoe je merkt dat persoonlijke waardering misschien wel de belangrijkste satisfier is, op welke leeftijd dan ook.

Hoe je leert dat zelfkennis de belangrijkste eigenschap is van een goede manager.

Hoe je leert dat wat je jong leerde soms pas decennia later betekenis krijgt.

Hoe je leert dat je nooit ‘af’ bent en dat je ‘een leven lang leren’ niet hoeft te leren omdat er eenvoudigweg niet aan te ontkomen valt.

Hoe je leert dat de balans tussen privé en zakelijk niet statisch is maar wordt bepaald door de omstandigheden in het privédomein.

Hoe je leert van ‘afkijken’, ook wel ‘rolmodellen’ genoemd. En hoe die rolmodellen geen BN’ers zijn maar mensen die op je pad komen op het moment dat jij daar behoefte aan hebt.

Hoe je leert dat je met taal nieuwe werkelijkheid kunt constitueren.

Share
Posted in Reflecties | 8 Comments

Open Mind (continued) Nr. 120 Wat een mooie innovatie!

Als echte alfa (ik studeerde Nederlands en filosofie en promoveerde in de Letteren) is de wereld van de bètatechniek mij behoorlijk vreemd. Dus toen ik in 2013 vanuit B&T projectleider werd voor de uitvoering van de eerste proefaudits Technasium, vroeg ik me wel af of ik hier hinder van zou ondervinden. Achteraf, we zitten inmiddels in de afronding van de vierde ronde officiële audits, kan ik zeggen dat er een wereld voor me open is gegaan – een heel aangename wereld, welteverstaan.

Aangenaam, omdat ik in mijn 40 jaar arbeidzaam leven in het onderwijs, geen innovatie ben tegengekomen die door de professionals in de scholen (docenten en schoolleiders) met zoveel enthousiasme is ontvangen als deze. (Het studiehuis ging in de richting maar wat is er van over?) Én die – wat de leerlingen betreft – laat zien dat de veelgehoorde verzuchting van docenten (‘het zweet staat op de verkeerde rug’) meer zegt over de staat van het overige onderwijs dan over de motivatie van de huidige leerling. Wat dat betreft zou ik hebben gewild dat minstens twee van mijn inmiddels vier volwassen kinderen indertijd O&O hadden kunnen kiezen. Het zou hun worsteling door het VO aanzienlijk verlicht hebben!

Mooi vind ik ook dat het Technasium landelijk gezien, nadrukkelijk wordt ontwikkeld vanuit een ‘Technasium-gemeenschap’. Natuurlijk weet ik ook wel dat zoiets vooral een evocatief begrip is: het appelleert aan een gemeenschappelijke, schooloverstijgende verantwoordelijkheid met een ingewikkelde balans tussen ‘je verbinden met’ enerzijds en ‘je onderwerpen aan’ anderzijds. Juist in technasium_logode situatie van de audit merk je dat het hemd al snel nader is dan de rok en scholen neigen tot overwaardering van de gegeven situatie in de hoop op begunstiging door de auditors. Op hun beurt vormen die steeds een team dat er in alle gevallen op gericht is om zich een eerlijk, gedeeld en gezamenlijk onderschreven oordeel te vormen.

De kwaliteitssystematiek waarvan ook de huidige audits onderdeel van zijn, is het achterliggende jaar intensief onderzocht en geëvalueerd met een revisie tot gevolg. Zo’n proces van herijken van de eigen kwaliteitsstandaarden en van het opnieuw definiëren van de balans tussen verantwoorden enerzijds en rechtdoen aan schoolontwikkeling anderzijds,  is ingewikkeld en doet een groot beroep op onafhankelijke oordeelsvorming door de schoolvertegenwoordigers die er vervolgens mee te maken zullen krijgen.  Neemt niet weg dat deze krachtsinspanning een verantwoordelijkheid is van de Technasium-gemeenschap als geheel en als die inspanning tot een goed einde wordt gebracht is dat een compliment door die gemeenschap.

Terug naar de scTechnasium Magazine 18_300holen, naar de vele enthousiaste technatoren en O&O-docenten én naar hun leidinggevenden. Telkens weer heerlijk om hen te spreken. Men mag hopen dat die laatsten (de leidinggevenden) hun verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van een goede visie en van goed beleid met het oog op een hechte verankering van het Technasium in de hele breedte van de school, volop nemen.  En dat alles natuurlijk in het belang van de leerling!

Ik heb veel plezier beleefd aan deze opdracht aan het einde van mijn loopbaan, waardoor veel dank aan de Stichting Technasium.

(Deze column verscheen ook in de zomereditie van Magazine Technasium)

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment

Open Mind (continued) Nr. 119 Het interne toezicht heeft meters gemaakt.

Half augustus ga ik met pensioen. Ik heb er dan 37 jaar in de wereld van het onderwijsbestuur opzitten, in diverse functies. Er is in die periode in die wereld (en waar niet) veel veranderd! Hoe die veranderingen te duiden? Als winst of als verlies? Als verbetering of verslechtering? Van allebei wat? Of gebruik ik verkeerde woorden voor een passende duiding? Een ding is wel zeker: het toezicht op het onderwijs was nog nooit zo intensief.

Eigenlijk maakten alle onderwijssectoren vanaf de jaren ’80 eenzelfde ontwikkeling door. Onderwijs volgde het spoor van de schaalvergrotingen elders in de samenleving: de sociale woningbouw, de ziekenhuiswereld, de agrarische sector, noem maar op. De overheid hanteerde doelstellingen als decentralisatie, deregulering en autonomievergroting. De kleinschalige, mono-sectorale en fijnmazige ‘spreiding van voorzieningen’ (zoals dat zo mooi heet) maakte plaats voor een patroon van grote, vaak multi-sectorale instellingen of organisaties. Elke sector had zijn eigen afkorting voor deze operatie: STC, TVC, SVM, Hef-VO, T&B (waar de afkortingen voor staan weet niemand meer) met steeds hetzelfde doel: afstemmen, taken verdelen, herverdelen van bestaande opleidingen, samenvoegen, en concentreren – dat waren zo de vertrekwoorden voor heel veel onderhandelingen.

Daar ging iets aan vooraf. Grote delen van ons onderwijs zijn oorspronkelijk het resultaat van particulier, in de regel kleinschalig initiatief vanuit stichtingen en verenigingen (en, in minderheid: kerken); privaat initiatief dus. En op de keper beschouwd is ook nu nog het overgrote deel van onze onderwijsinstellingen gewoon privaat – en dus niet publiek. (Ik neem de vrijheid nog eenmaal verzet aan te tekenen tegen het gemak waarmee onderwijs wordt neergezet als publieke voorziening waar vooral de overheid verantwoordelijk voor is. Dat private instellingen als stichtingen en verenigingen gebruik maken van publieke middelen omdat ze aan de subsidievoorwaarden voldoen, maakt ze nog niet tot publieke instellingen; zelfs de aanduiding semi-publiek is misleidend. Een kardinale denkfout en hardnekkig misverstand dat afbreuk doet aan eigen verantwoordelijkheid, of zo men wil: eigen missie en visie, c.q. maatschappelijke opdracht en waarde.)

Het mooie van de kleinschaligheid was dat onderwijs kon steunen op een breed maatschappelijk draagvlak, tot uitdrukking komend in onder meer het nemen van bestuurlijke verantwoordelijkheid door ‘gewone burgers’ (vrijwilligers, avondurenwerk) voor de stichting en instandhouding van scholen. Natuurlijk hadden ouders daar een persoonlijk belang bij: vorming en opvoeding in het verlengde van de eigen opvattingen en waarden, in de regel denominatief gekleurd.

Met al die ouders die de schoolbesturen bevolkten, leverde dat een flink draagvlak op. Zelf zat ik in de jaren ’80-begin ’90 in het basisschoolbestuur in mijn dorp. We waren met vier dagelijks bestuursleden en acht algemeen bestuursleden, twaalf in totaal dus, voor een stichting met vier basisscholen. Me dunkt. Nu noemen we dat ‘iets teveel van het goede’, maar ondertussen deden we wel mooi heel veel zelf en dat deden we ook goed, zoals zorgen voor mooie huisvesting en, in het kader van de operatie Toerusting en Bereikbaarheid: het opheffen van een school.

Deregulerings- en decentralisatieoperaties maakten een einde aan de situatie van veel kleinschalige onderwijsaanbieders. Gefuseerde organisaties stelden een algemeen directeur aan. Deze algemeen-directeuren namen steeds meer taken over van de vrijwilligers-besturen die ‘op afstand’ gingen, of ‘op hoofdlijnen’ overigens vaak zonder een duidelijk beeld van hoe een hoofdlijn er zoal uitziet.

Toen kwamen de grote schandalen, de uit de hand gelopen situaties gevolgd door de roep om terugkeer van ’de menselijke maat’ – een mooi evocatief begrip dat zich goed leende voor framing. De fusietoets werd ingesteld om een dam op te werpen tegen ongebreidelde schaalvergrotingsinitiatieven. Het voorlopige einde van het liedje is de Wet Goed Onderwijs Goed Bestuur met de verplichte scheiding van bestuur en intern toezicht, laatstelijk gevolgd door de Wet Versterking Bestuurskracht.

De vrijwillige besturen hebben plaatsgemaakt voor professionele besturen, dat wil zeggen: personen die van het besturen hun beroep hebben gemaakt. Wat mij betreft een goede ontwikkeling gelet op de toename van verantwoordelijkheden en risico’s. Op hen wordt toegezien door raden van toezicht  (of toezichthoudende besturen) die, als ik de voortekenen goed inschat, ook hard op weg zijn om te professionaliseren. Stevige (als ‘redelijk’  en ‘passend’ aangeduide) vergoedingen, ballotage, certificering, verplichte bijscholing (punten scoren) plaveien de weg naar een nieuwe beroepsgroep, een nieuw gilde. Voor mij hoeft het zo ver niet te komen. Ik ben nog van de generatie dat het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid de tegenprestatie-om-niet was voor de jou geschonken talenten die naar eer en geweten werden ingezet voor het goede doel. Ik koester die gedachte graag ook al weet ik dat die steeds minder herkenning, laat staan adoptie zal oproepen. De trend is die van doorgaande professionalisering tot mogelijk een nieuwe beroepsgroep. Wanneer ik daarnaast ook denk aan de maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van en impliciete druk op toezichthouders, dan lijkt het er bijna op dat toezichthouden het nieuwe besturen gaat worden en het geprofessionaliseerde bestuur aan de ketting ligt van enerzijds de interne toezichthouder en anderzijds de interne medezeggenschap. ‘k Weet het niet, maar ik geloof niet dat dit een gewenste situatie oplevert.

Neemt niet weg dat ik, kijkend naar de tientallen (jaarlijkse)  zelfevaluaties door raden van toezicht die ik de afgelopen jaren mocht begeleiden, de situatie inzake het toezicht op onderwijs, zoals dat nu in de vele raden van toezicht is georganiseerd, graag positief waardeer. In de nadagen van het klassieke bestuur, dus ná de schaalvergrotingsoperaties en vóór de professionaliseringsgolf, was het toezicht binnen instellingen aanzienlijk minder professioneel georganiseerd dan op dit moment. Ik ben onder de indruk van de drive van veel toezichthouders om hun taak met inzet en overtuiging deskundig te willen uitvoeren. Kijk ter illustratie naar het laatste VTOI-congres. Je kunt er als toezichthouder ook níet naar toe gaan, maar ze waren er, 400 toezichthouders die iets wilden leren van deskundigen en van elkaar om het zelf beter te doen.

Mooi toch?

(Deze column verschijnt ook in de Nieuwbrief van de VTOI)

Share
Posted in Open Minds | Tagged , | 2 Comments

De halve van Leiden als opmaat tot de hele van Dublin

Het begon allemaal eind februari van dit jaar toen er een mailtje kwam van Frank om het tien jarig jubileum van de e-mail en voortaan ook app-groep Marathonhelden te vieren. Niet dat we tien jaar als groep actief waren geweest. Dat was maar van 2004 tot 2007 toen we met een groepje vier marathons in het buitenland liepen (Athene, Stockholm, Berlijn en Barcelona). Leuke weekenden waren dat!

En dan ligt daar opeens het verzoek om nog een keer samen wat te gaan doen. Om de cirkel rond te maken. Zelf had ik al drie jaar geen marathon meer gelopen en het lopen überhaupt beperkt tot conditietraining met loopjes niet langer dan een kilometer of 7. Dublin is het voorstel, eind oktober van dit jaar. Tja, wat moet je dan? Meegaan en niet meedoen is niet echt iets voor mij. Afijn, je begrijpt, het trainen maar weer opgepakt. Kijken of ik het nog leuk vind. Intussen ben ik wel 65 en dat is te merken. Ouder (en helaas zwaarder) betaalt zich uit in een veel tragere ontwikkeling en verhoogd risico op blessures. Dat wetend de uitdaging  wel opgepakt maar in de wetenschap dat de maanden tot eind oktober goed gebruikt moeten worden.

Zondag was de hele en halve marathon van Leiden, een goed moment voor enkelen van ons om een leiden 10-meting te doen. Leiden, de stad waar ik in 2002, dus precies 15 jaar geleden, mijn debuut op de marathon maakte, waarna er nog 30 volgden. Geen verkeerde plek dus voor een doorstart.

De dag opent met een prettig zonnetje, de verwachting is prima, niet te warm (17 graden) en weinig wind. Om 9 uur fietsen dochter Merel, die er ook bij was in Athene en nu weer van de partij is, en ik richting Leiden. Ik sla de kerkdienst in de Hooglandse Kerk over maar moet wel eerst langs de leiden2Pieterskerk die omgebouwd is tot het zenuwcentrum van de Leiden Marathon. Inschrijven, plassen, nog een banaan eten en op naar het startvak.

Terwijl we ons zo voorbereiden op de loop genieten we van de gezellige sfeer, van het grote aantal deelnemers, van de lichte spanning die er heerst onder de atleten (niet in de laatste plaats bij onszelf – heerlijk, ik hou daar altijd weer erg van) en van de vele vriendelijke vrijwilligers die zich beschikbaar stellen om dit evenement mogelijk te maken. We wisselen uit dat het niet moeilijk is om cynisch te doen over dit type massasport, maar dat dat volkomen onterecht is. Het is gewoon mooi om te zien dat al die mensen er zin in hebben en plezier beleven aan zo’n loop. En d’r is nooit gedoe of geweld. Ik kan me ook geen enkele keer herinneren dat de ME hardlopers en hun supporters met waterkanonnen uiteen moest drijven.

Het startvak beloopt een groot gedeelte van de Breestraat. Hier en daar zijn luidsprekers aangebracht. Iemand memoreert het heengaan van een prominente Leidenaar die veel gedaan heeft voor de sport en dan klinkt opeens het Wilhelmus uit de mond van één zanger. Geen idee wie het is en waar ik sta is dat ook niet te zien. Niemand zingt mee maar de man krijgt na afloop wel een spontaan applaus. Doet me denken aan de minuut stilte die de 15.000 man in maart 2004 in het startvak van de CPC-loop in acht nam om de nacht ervoor overleden Koningin Juliana te gedenken. Muisstil was het. Kippenvel.

En ja hoor, daar gaan we, met alleen al 3600 man en vrouw op de halve marathon, 2/3 mannen, 1/3 vrouwen. We gaan eerst richting Zoeterwoude. Altijd weer een gezellig dorp om imagesdoorheen te lopen. Uit 2002 herinner ik me de walm van bier en bitterballen. Misschien startten we toen later. Nu was van verleidelijke geuren niets van te merken. Daarna de polder in richting Hazerswoude, ook heel gezellig. Voor je uit een lang lint van lopers (en bij mijn tempo zitten inderdaad veruit de meesten voor mij en niet achter mij). Een prachtig parcours zo in de landelijke ruimte van het Groene Hart. In de dorpen veel mensen in hun tuin en langs de weg. Orkestjes, dj’s, speakers, ze komen allemaal langs (nou ja, omgekeerd, lopers komen langs bij hen). Leiderdorp met de prachtig aangeklede Splinterweg, tijdelijk omgedoopt in Sprinterweg. De brug over en Leiden weer in, de singels over op weg naar de Vismarkt waar de finish is. Op weg daarheen word ik ingehaald door de eerste loper op de hele marathon. Tja, het dwingt iedere keer weer grote bewondering en diep respect af als je die je voorbij gaat.

leiden5Hoewel ik echt geniet van het lopen, gaat het me niet gemakkelijk af. Ik vind het op dit moment in de voorbereiding op Dublin gewoon nog een heel eind! Ik heb genoeg ervaring om mezelf goed aan te sturen en om aardig tempovast te lopen, maar vanzelf gaat het niet. Waar anderen wandelen houd ik de gang erin. Gelukkig zijn er nog een paar maanden te gaan om te wennen aan de langere afstand. Neemt niet weg dat het een heerlijke gewaarwording is en blijft dat je lichaam zo fit is dat het dit gewoon kan. Dat stemt dankbaar.

Bij de finish ontmoeten Merel en ik elkaar weer. Waar ik 2.08 nodig had was zij in 1.31 binnen. dublin2Vierde bij de dames, tweede in haar categorie M35. Dat stemt niet alleen dankbaar maar maakt ook trots. Ook Frank deed het fantastisch met 1.28. Daryl had de dag ervoor 50 km (!) gehold, die deed niet mee. Baas boven baas, nietwaar? Marijke op vakantie, Peter herstel blessure, Claudia nu even niet. Hoe dit zij, de kop is eraf. Nog 159 dagen te gaan. Inschrijving binnen.

Met dank aan familie en bekenden voor de support onderweg!

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Lopen | Tagged , , | Leave a comment

Open Mind (continued) Nr. 118 En telkens valt er een kwartje

Van huis uit ben ik neerlandicus en filosoof. December 1977 studeerde ik af aan het roemruchte Instituut voor Neerlandistiek van de UvA, in maart 1978 aan de Centrale Interfaculteit  van de Vrije Universiteit (een behoorlijk cultuurverschil tussen die twee instituten trouwens). In april 1978 begon ik lambertaan een onderzoeksbaan op het gebied van de historische taalkunde van het Nederlands aan de UvA, voor twee jaar. Toen was de subsidie op en zat er als gevolg van overheidsbezuinigingen geen verlenging in. Dat werd dus omzien naar iets anders. Vanaf 1980 verkeer ik in de wereld van het onderwijsbestuur, op verschillende posities. Tussendoor, in 1983 promoveerde ik in de Letteren – we hebben ons onderzoek dus toch kunnen afronden, zij het in vrije tijd.

Terugblikkend denk ik dat ik een late en trage leerling ben geweest. Ik ben van november en behoorde dus altijd tot de wat oudere leerlingen in de klas. Toch ben ik weleens blijven zitten, puur omdat ik de stof nog niet snapte. Nog niet rijp heette dat. (Misschien zeggen moderne leertheorieën hier andere dingen over?)  En op de universiteit voelde ik me ook permanent op achterstand met, wat we nu noemen, een beperkte woordenschat en kennis van de wereld. Zo ben ik er lang achteraan blijven hobbelen. Dat gevoel, dat me lang parten speelde, is geleidelijk opgelost.

Neemt niet weg dat er vaak een groot gat in de tijd zat tussen ‘iets leren’ en ‘iets begrijpen’. Op school pakte dat een tijd lang verkeerd uit: repetities kwamen net te vroeg. Maar het gat tussen iets leren en iets inzien (in de betekenis van ‘in zijn werking doorgronden’) kon ook decennia blijven kwartjebestaan. Bijgevolg gebeurt het nog vaak dat ik de ervaring heb dat ik de oude kennis met nieuwe ogen bezie en opeens andere relaties leg en verdiepingen aanbreng. Dat heeft een heel spannend effect: aan de ene kant levert het de heerlijke beleving op van ‘het kwartje valt, misschien wat laat, maar het valt wel!’, aan de andere kant valt er heel veel nieuws te ontdekken, of beter: te verwerven, want vanzelf gaat dat nog steeds niet. Ik zal hier een voorbeeld van geven.

In mijn promotieonderzoek heb ik me verdiept in de voortzetting van het klassieke trivium in de Nederlandse volkstaal in de zestiende en zeventiende eeuw. Trivium is het talige deel van de zogenoemde Zeven Vrije Kunsten (de zogenoemde ‘septem artes liberales’) uit de onderwijstraditie triviumzoals die ontstond in de Antieke Tijd en zich doorontwikkelde in de Middeleeuwen. Het trivium werd in de periode van Renaissance en Humanisme onderwezen op de zogenoemde Latijnse scholen maar kreeg via het werk van met name Rederijkerskamers en taalminnaars van de volkstaal, een ‘vertaling’ in het Nederlands. Door de traditie van het trivium te bestuderen heb ik veel opgestoken over de klassieke retorica, over de dialectica en Middeleeuwse logica en natuurlijk over de traditie van de grammatica. Kennis van het trivium en quadrivium (aritmetica, geometria, astronomia en musica) vormde indertijd de basis om door te kunnen studeren in de theologie, rechten of medicijnen, waarbij het trivium meestal het quadrivium domineerde hetgeen niet onbegrijpelijk was gelet op de voorwaardelijke functie van deze talige vakken.

Zoals gezegd heb ik veel geleerd over de functie van correct taalgebruik, van zuiver redeneren en van de regels voor een welsprekend optreden, maar het duurde toch nog heel lang voor ik ontdekte en ervoer hoe je deze kennis ook zelf kunt aanwenden in je eigen beroepsuitoefening én hoe je daar weer op kunt reflecteren. Anders gezegd, mijn taalgevoeligheid vloeide niet vanzelf voort uit mijn kennis over taal en de werking ervan maar werd, in mijn reconstructie, geleidelijk ontwikkeld en tot bewustwording gebracht. En van die ‘sprong’, die natuurlijk geen feitelijke handeling was maar staat voor een verdichting van een langzaam gegroeide situatie, heb ik, op het moment dat ik me dat realiseerde, geweldig genoten en geniet ik nog steeds met volle teugen. Ik bedoel: het scherpe inzicht in wat ik maar noem de ‘werkelijkheid-constituerende functie’ van taal en de betekenis hiervan in mijn werk als adviseur: dat je door de taal die je gebruikt, ervaart dat je gesprekspartners hun eigen situatie met andere ogen gaan bekijken en dat door de keuze van bepaalde woorden blikrichtingen kunnen veranderen waardoor verschillen worden overbrugd. Ik vond dit echt een heerlijke ontdekking. En als je ziet hoe dit werkt bij jou dan zie je ook hoe dit werkt bij anderen. Ik werd gevoelig voor verschillen in taalregisters en de effecten hiervan op onderwijs, ik kreeg oog voor de generatieve functie van metaforen en voor de ambiguïteit van opposities. Anders gezegd, al die retorische principes herken ik niet langer alleen als theoretisch begrippen maar ook in hun daadwerkelijk scheppende kracht. Immers, ze scheppen een nieuwe realiteit die bindend kan zijn of inspirerend of inzicht gevend. Het bepaalt me tegelijk bij de morele grenzen van deze kracht die immers altijd manipulatief is en niet vanzelfsprekend maar wel noodzakelijk in positieve zin.

Intussen ben ik toe aan de, in mijn persoonlijke ontwikkeling, volgende stap: de overstap van de retorische naar de filosofische doordenking van de taal die ik als adviseur gebruik. Want eigenlijk is alles wat we als adviseurs doen in taal en alleen daarin vervat en gaan wij (bijna) blindelings uit van de representerende functie van die taal. We gaan er met andere woorden stilzwijgend van uit dat representerendeze taal de werkelijkheid vertegenwoordigt. Maar vaak is dat maar deels of helemaal niet het geval, of beter: bestaat die werkelijkheid alleen in taal. Daar is overigens niets mis mee – zeg maar eens hoe het anders kan. Niet dus. Denk als voorbeeld aan het strategische beleidsplan voor de school of de stichting: die gaat over een gewenste, nog niet bestaande realiteit, om een wens of belofte en niet om een reeds aanwezige wereld buiten de taal – die beogen we er immers nog mee vorm te geven. We zoeken dan naar taal die ons helpt om ons tot die gewenste realiteit te brengen die op zijn beurt maar heel beperkt in taal gerepresenteerd zal worden. Het is niet moeilijk om aan de hand van dit voorbeeld te bedenken tot welke onzekerheden deze situatie op voorhand al aanleiding kan geven. Zie ter illustratie alle discussies over het begrip onderwijskwaliteit die duidelijk maken hoe gebrekkig de essentie ervan zich laat ‘vertalen’ in ‘taal en tekens’. De permanente onvrede over deze systemen illustreert de manco’s van de representatie die alleen te compenseren valt door een beroep te doen op een veelvoud van verschillende tekensystemen die elkaar daardoor aanvullen zonder het ooit compleet te kunnen treffen.

Als taalgebruikers en zeker ook als adviseurs, schoolleiders, bestuurders en toezichthouders gebruiken wij onophoudelijk metaforen. Deels zijn dit bestaande metaforen (‘je school over het voetlicht brengen’), deels begrippen die hun metaforische karakter allang hebben verloren (‘kaders metafoorstellen’), maar ook metaforen om nieuwe realiteiten met elkaar te benoemen, in een creatieve opzet dus. Neem ons (collega Jos van Elderen en ondergetekende) laatste boekje De zachte kant van governance. ‘Zacht’ verwijst naar een heel concrete fysieke ervaring die wordt overgedragen op een abstract begrip, ‘governance’. Door deze combinatie markeren we een nieuwe positie vanuit een impliciete tegenstelling (die tussen ‘hard’ en ‘zacht) met de bedoeling nieuwe dimensies van het onderwijsbestuur te benoemen.

In de filosofie is veel nagedacht over de functie van metaforen, over hun generatieve waarde en over hun begrenzingen. Filosofen als Lacan, Barthes en Ricoeur verdiepten de betekenis en werking van bartheset klassieke retorische, door Quintilianus, Cicero en de Rhetorica ad Herennium gepromote gebruik van de stijlmiddelen als metafoor en metonymia. Zo ook over al die andere tekens die we als adviseurs, bestuurders, schoolleiders, leerkrachten, gewoon zijn te gebruiken: schema’s, tabellen, figuren, foto’s, beelden, ….. Ook daarover is de laatste decennia, met name in de semiotiek veel gefilosofeerd. Überhaupt is de belangstelling voor taal als filosofisch verschijnsel actueel. Een ware ‘mer à boire’!

In augustus trek ik in mijn hoedanigheid van adviseur de deur van het B&T-kantoor definitief achter me dicht en ga ik me naar hartenlust uitleven in de filosofische doordenking van de taal die ik 37 jaar in de wereld van het onderwijsbestuur en advies heb gebezigd. Op enig moment hoop ik daarop te promoveren in de filosofie ten teken dat er opnieuw een kwartje is gevallen. Een inspirerend vooruitzicht.

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , , , , | 1 Comment

Open Mind (continued) Nr. 117 Verkiezingen en ’s lands onderwijsbeleid

De invloed van onze stem

Op 15 maart gaan we naar de stembus. Via kieswijzers maken we onszelf wegwijs in de programma’s en zoeken zwevers richting. Lijsttrekkers voeren debatten, of juist niet, om tot het laatst kiezers voor zich te winnen. Onderwijs is tot nu toe nauwelijks een thema. Is dat niet wat raar? Ja, als je kijkt naar het grote belang van onderwijs voor de toekomst van ons land. Neen, of minder, als je kijkt naar hoe onderwijsbeleid zich ontwikkelt. Grote ontwikkelingen in het onderwijs blijken goed beschouwd nauwelijks afhankelijk van politieke voorkeuren en verkiezingsuitslagen.

Een terugblik op 100 jaar onderwijsbeleid (1917-2017), waarover hieronder meer, levert ons ten minste drie belangrijke inzichten op.

Het eerste inzicht is dat partijpolitieke prioriteiten nauwelijks van invloed zijn op de echte, ingrijpende veranderingen in de inrichting van ons onderwijsbestel. Die inrichtingen komen in de regel tot stand door toedoen van een aantal opeenvolgende kabinetten. En aangezien Nederland een traditie heeft van wisselende politieke meerderheidskabinetten is er weinig ruimte voor de realisering van partijpolitieke voorkeuren.

Het tweede inzicht is dat de inrichting van ons onderwijsbestel als ordeningsvraagstuk in de pas loopt met de manier waarop andere sectoren in de samenleving zich ontwikkelen, denk aan de gezondheidszorg, de woningbouwsector of de culturele sector. Er is veel parallellie in de ontwikkeling. Voorbeeld: de aandacht voor governance. Onderwijs beweegt als sector mee op de golven van samenlevingsontwikkeling.

Het derde inzicht is dat echte, ingrijpende veranderingen in de inrichting van ons onderwijsbestel alle dimensies van de school aangaan: financiën, schoolstructuur, personeelsbeleid… En voor al die dimensies aan de beurt zijn geweest ben je zo tien jaar verder. Daardoor krijg je er vooraf weinig zicht op maar kun je de ingrijpende verandering achteraf wel reconstrueren.

Een veelkleurige reeks kabinetten

Nederland is van oudsher een land van coalities. We zijn gewend een kabinet te vernoemen naar zijn premier. Onderstaande eerste ministers waren van verschillende politieke kleur. Zo ook hun ministersploeg. Tussen haakjes de naam van de minister die onderwijs in portefeuille had.

  • De Quay: 1959 – 1963 (Cals)
  • Marijnen: 1963 – 1965 (Bot)
  • Cals: 1965 – 1966 (Diepenhorst)
  • Zijlstra: 1966 – 1967 (Diepenhorst)
  • De Jong: 1967 – 1971 (Veringa)
  • Biesheuvel 1 en 2: 1971 – 1973 (Van Veen)
  • Den Uyl: 1973 – 1977 (Van Kemenade)
  • Van Agt 1, 2 en 3: 1977 – 1982 (Pais, Van Kemenade, Deetman)
  • Lubbers 1, 2 en 3: 1982 – 1994 (Deetman, Deetman, Ritzen)
  • Kok 1 en 2: 1994 – 2002 (Ritzen, Hermans)
  • Balkenende 1-4: 2002 – 2010 (Van der Hoeven 3x, Plasterk)
  • Rutte 1 en 2: 2010 – nu (Van Bijsterveldt, Bussemaker)

Onder premier Kok zien we dus een PvdA’er en een VVD’er als minister van onderwijs en onder premier Balkenende een CDA’er en een PvdA’er. Onder premier Rutte idem dito.

Vier overzichtelijke periodes

Terugblikkend op de afgelopen 100 jaar kom ik tot vier onderscheiden periodes, of beter: vier onderwijspolitieke oriëntaties. De eerste twee zijn geïnspireerd door het eerdere werk van de bestuurskundige Idenburg, de volgende twee breng ik zelf in op basis van eigen analyse. Over elk van deze vier onderwijspolitieke oriëntaties is veel te zeggen, meer dan in het bestek van dit artikel past. Ik beperk me tot een staccato opsomming van relevante trefwoorden.

  1. Distributief onderwijsbeleid (1917-1962)

onderwijspacificatie, 1917, verzuiling, financiële gelijkstelling, terugloop openbaar onderwijs, groei bijzonder onderwijs, verdelende rechtvaardigheid, klein departement, regeren door middel van wetten, wetten voor openbaar onderwijs = bekostigings-voorwaarden bijzonder onderwijs, inspecties per richting, reproductie van maatschappelijke verhoudingen, een dubbeltje blijft een dubbeltje, ook na WO II voortzetting van deze structuur, relatieve rust,  19de  eeuwse schoolstructuur (hbs, mms, ambachtsschool, huishoudschool) spiegelt sociale standen.

  1. Constructief onderwijsbeleid (1962-1982)

Mammoetwet, minister Cals, dubbeltje kan kwartje worden, doorstromen mavo – havo, nieuwe schoolsoorten, kabinet Den Uyl, politisering onderwijs, middenschooldiscussie, maatschappelijk debat, prachtige beleidsnota’s (Contourennota), Van Kemenade kampioen van dit model, BuO wordt SO via ISOVSO, pedagogische invalshoek, ko/lo wordt basisschool, ononderbroken ontwikkelingsgang, intercultureel onderwijs, geestelijke stromingen, onderwijs speelt rol in ‘eerlijke verdeling van inkomen, kennis en macht’.

  1. Effectief (en efficiënt) onderwijsbeleid (1982-1994/98)

Wim Deetman, Roel in’t Veld, HOAC nota, ‘De school op weg naar 2000’ (1988), bestuurskundige oriëntatie, kerndoelen po en vo, schaalvergroting, incentives, Schevenings akkoord, procesmanagements, invoering lump sum financiering, introductie outputfinanciering, kerntakendiscussie, selectief actieve overheid, kerntakendiscussies, ‘doen wat werkt’, New Public Management, introductie marktwerking, overheid is bedrijf, aanzet internationale oriëntatie: overleven in groeiend Europa, school als lerende organisatie (Netelenbos).

  1. Economisch onderwijsbeleid (1994/98-heden)

Internationale akkoorden vertaald in kerncurricula, back to basics, korte leerwegen, geen stapeling diploma’s, negatieve sancties (boetes), neoliberaal denken, marktwerking, rugzakleerling koopt zelf in, prestatieakkoorden met raden, outputgericht beleid, opbrengstgericht onderwijs, uitbreiding outputfinanciering, evidence based, exact boven taal, techniek boven humaniora, onderwijs boven zorg, benchmarks, ondernemende school boven de lerende organisatie, netwerkschool, kwaliteitskaart.

Dimensies in de relatie tussen overheid en onderwijsveld

Onderwijsbeleid is uitdrukking van de manier waarop overheid en samenleving zich tot elkaar verstaan. Onder overheid versta ik de landelijke overheid (het geheel van ministeries, waaronder dat voor onderwijs). Onder samenleving versta ik (toegespitst op onderwijs): scholen en de organisatorische verbanden daaromheen (de vereniging of stichting die de school in stand houdt) en landelijke organisaties daar weer omheen. De wisselingen in de onderwijspolitieke oriëntaties kunnen we illustreren met een doorvertaling op een aantal dimensies:

  1. afstemming: volgend, sturend, samenwerkend?
  2. dominante blikrichting, vertaald in de vraag ‘wie hebben het voor het zeggen, daar in de Hoftoren?’
  3. welk soort middelen zijn populair in het relatiepatroon? ‘Hoe doen ze het?’
  4. leiderschap: welk beeld levert dit op voor de sfeer waarin aan scholen leiding wordt gegeven?
  5. partners: met wie worden ‘zaken gedaan’?
  6. relatie: hoe valt die te typeren?

Beschouwen we de genoemde vier onderwijspolitieke oriëntaties vanuit deze dimensies, dan worden de praktische verschillen snel duidelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het zou me niet verbazen als we nu wederom in een overgangsperiode zitten. Maar zoals gezegd: ingrijpende wijzigingen laten zich pas achteraf goed reconstrueren. Mogelijk zijn het spoedig niet langer de economen die de blikrichting bepalen maar domineert het sociologisch perspectief. Denk aan aandacht voor integratievraagstukken, professionaliseringsvraagstukken en de status van het beroep. We zullen zien.

Naar de stembus

Woensdag gaan we naar de stembus en kiezen we een nieuwe Tweede Kamer. Een nieuwe ploeg zet het werk van de oude voort. Ja, als het gaat om onderwijsbeleid zal er veel continuïteit zijn. Dat leert de geschiedenis. Maar elke nieuwe ploeg zet óók zijn eigen stempeltje. Bovendien spreken we ons met onze stem niet alleen uit over een perspectief voor onderwijs, maar over heel veel méér. En dat maakt het urgent om er woensdag bij te zijn!

Verdiepen?

Mocht u zich nog willen verdiepen in de onderwijsprogramma’s van de politieke partijen? Ter voorbereiding op de B&T verkiezingsavond stelden collega’s daarvan een reader samen van alle onderwijsparagrafen. Downloaden? Klik op de volgende link:  Reader B&T verkiezingsavond.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment

Open Mind (continued) Nr. 116 Leren van en met elkaar

Telkens ben ik weer verrast als ik zie hoeveel emoties leraren hebben bij het voorstel tot instelling van een lerarenregister. Kijk op Twitter @lerarenregister. Het schoolleidersregister lijkt op minder weerstand te stuiten. Hoewel ikzelf ook niet direct zal optreden als een vurig pleitbezorger van een dergelijk ‘instituut’ begrijp ik wel de maatschappelijke relevantie ervan en begrijp ik niet het paradoxale karakter van het protest ertegen onder leraren: je klaagt over het gebrek aan maatschappelijke waardering  en tegelijkertijd verzet je je tegen een probaat middel om die waardering te genereren.

Neen, ik ga niet serieus in op oneigenlijke tegenwerpingen als dat ‘registratie geen garantie voor bekwaamheid’ is. Natuurlijk is het dat niet. Dat weet een kind. Wat eerder curieus is, is het gegeven dat professionele registers in het onderwijs een zaak van de politiek zijn en van wetgeving. Je zou verwachten dat keuzes daarover gewoon zouden behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de beroepsgroep zelf.

Als ik al aarzelingen heb bij registers dan is het dat zulke instituten onvermijdelijk leiden tot normalisatie – in de dubbele, zowel positieve als negatieve zin van het woord: (a) negatief: reductie van veelvormigheid en uniciteit tot een standaard; noem het een vorm van isomorfisme, en (2) positief: (maatschappelijke) herkenbaarheid als categorie en als teken van (mogen we hopen) betrouwbaarheid.

Jezelf als beroepsgroep serieus nemen begint bij jezelf als professional serieus nemen. Bij dat laatste hoort: scherp blijven op je eigen ontwikkeling en op die van je collega’s, bevorderen van en bijdragen aan een professionele cultuur in je school, je niet verschuilen achter vage excuses als handelingsverlegenheid, en gewoon even een collega gaan raadplegen als je iets niet weet of kunt – dat soort dingen. Welnu, dat laatste kan in heel veel scholen beter. En het aardige is, als scholen daar echt werk van gaan maken, dan gebeurt er ook echt iets, zo merkte ik laatst weer bij een collegiale visitatie in het voortgezet onderwijs.

Een van de intrigerende vragen achter de idee van registratie is natuurlijk de vraag: wat doet ertoe? Anders gezegd, waar leer je als professional van? Het is een vraag die vanzelfsprekend in alle sectoren speelt maar die ik nergens zo expliciet en continu aan de orde gesteld zie als in het voortgezet onderwijs. Het is in mijn beeld een verdienste van de VO-academie dat aan deze vraag veel aandacht wordt besteed. Daarbij wordt breed gekeken, in lijn met de verschillende vormen van leren die in de leertheorie onderscheiden worden, zoals formeel leren, non-formeel leren en informeel leren.

Onlangs verscheen weer een update van het onderzoek onder schoolleiders en middenmanagers voortgezet onderwijs, de Monitor professionele ontwikkeling schoolleiders 2016 – een bescheiden document maar ook een leerzame stand van zaken die dicht bij de uitvoeringspraktijk blijft. Zelf heb  ik in 2014 in opdracht van de VO-academie samen met collega Gerben Zonneveld een onderzoekje gedaan naar de opbrengst van buitenlandse studiereizen door schoolleiders, ‘Met andere ogen kijken’. En vorig jaar mocht ik met Caroline Offerhaus en Martie Slooter, opnieuw in opdracht van de VO-academie, in een pilot onderzoeken of de door ons ontwikkelde werkvorm voor leren van elkaar, peer consultancy, een goede ingang vormt om de beroepsstandaard schoolleider voortgezet onderwijs tot een, noem het maar, levend instrument te maken voor de professionalisering van beoefenaars van dit beroep.

Interessant aan peer consultancy is dat deze methode van collegiaal leren van elkaar een aantal zaken combineert: reflectie op het eigen handelen, reflecteren op de reflectie van een collega/beroepsgenoot over zijn of haar eigen handelen, het leren geven en ontvangen van feedback, en het verantwoorden van gedrag en keuzes. In de pilot vormde de beroepsstandaard schoolleider voortgezet onderwijs de externe referentie voor de reflectiemomenten van zoals degene die reflecteert op het eigen handelen als voor degenen die daarop reageren. Het aardige van deze werkvorm was dat het leidt tot onomkeerbaar zelfinzicht, ondersteund met adviezen voor vervolg (vaak ook: voor ‘doorpakken’).

In de Monitor professionele ontwikkeling schoolleiders 2016 vallen interessante opmerkingen en ervaringen te lezen over de effectiviteit van bepaalde vormen van scholing. Zo worden scholingsactiviteiten die een verbinding leggen met de dagelijkse praktijk van de schoolleider in de eigen situatie, als zeer effectief gewaardeerd. Welnu, dit gebeurt dus bij werkvormen als peer consultancy en andere vormen van peer learning.

Het komt me voor dat beroepsregisters die open staan voor allerlei beweeglijke vormen van ‘leren van elkaar’, dus ook voor informeel en non formeel leren, een serieuze kans moeten krijgen.

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | 2 Comments

Open Mind (continued) Nr. 115 Wat hebben raad van toezicht en (G)MR elkaar te bieden?

Wat veel raden van toezicht al deden, is sinds 1 januari jl. regel: raden van toezicht en (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraden zullen elkaar voortaan wettelijk verplicht tweemaal per jaar spreken. Het is een van de onderdelen van de onlangs in werking getreden Wet Versterking Bestuurskracht. Elkaar spreken is voor de meeste raden niet nieuw, maar hoe geven ze daar, gelet op de nieuwe situatie, een invulling aan die niet alleen voor elk van beide partijen iets oplevert, maar ook vanuit het perspectief van het geheel nuttig is?

In mijn frequente contacten met raden van toezicht was me allang duidelijk dat beide organen elkaar vaak wel zien staan, maar niet altijd goed weten wat ze aan elkaar hebben. Medezeggenschapsraden (ik laat het ‘gemeenschappelijke’ gemakshalve maar weg) hebben vaak geen goed beeld van wat de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn. Er zijn er die de raad van toezicht benutten als klachtenbureau of menen dat ze opdrachtgever van de interne toezichthouder zijn. En omgekeerd zijn raden van toezicht weleens huiverig om het bestuur voor de voeten te lopen die immers het tegenover van de medezeggenschapsraad is. Vaak is er een jaarlijkse ontmoetingsbijeenkomst van beide raden of van vertegenwoordigers daarvan, al dan niet in aanwezigheid van het bestuur. Soms wonen toezichthouders als waarnemer een overlegvergadering bij, in andere situatie spreekt men elkaar op themadagen waar bepaalde onderwerpen besproken worden. Allemaal niks mis mee maar wel handig om, gelet op de nieuwe situatie, het er samen een keer over te hebben: hoe gaan beide raden invulling geven aan de halfjaarlijkse ontmoeting? Wat komt aan de orde? Wie initieert? Doet het bestuur mee of toch maar liever niet?

Twee organen, twee interne toezichthouders, toch verschil

Raad van toezicht en MR: beiden treden op als intern toezichthoudend orgaan. De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn vastgelegd in de statuten en reglementen van de rechtspersoon (de stichting of vereniging). Raad van toezicht en bestuur zijn samen verantwoordelijk voor de rechtspersoon en voor de door de rechtspersoon in stand gehouden scholen een en ander met het oog op het maatschappelijk belang. De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de MR zijn vastgelegd in de WMS. De bevoegdheden van de MR zijn van een andere orde dan die van de raad van toezicht. De opdracht aan de raad van toezicht is tenminste viervoudig: toezicht houden, belangrijke voorgenomen bestuursbesluiten goedkeuren, klankbord- en advies te zijn voor het bestuur en optreden als werkgever van het bestuur. Voor de MR draait veel, zo niet alles rond de bevoegdheden advies en instemming verlenen.

In de MR zijn de belangen vertegenwoordigd van ouders/leerlingen en personeel. Zij geven voice aan de belangen van twee groepen betrokkenen die directe belangen hebben bij veranderingen. Raden van toezicht worden geacht (en vaak dragen statuten dit ook op) om het opereren van het bestuur te beoordelen vanuit een zorgvuldige weging van drie soorten belangen: het belang van de stichting/vereniging als aanbieder van onderwijs (continuïteitsbelang), het belang van de scholen (in de regel verwoord door de MR) en het belang van de samenleving (een abstract en daardoor even lastig als essentieel te verdisconteren belang).

Contacten tussen raad van toezicht en MR zouden ertoe moeten dienen dat elk van beide partijen (en dat geldt evenzeer voor het bestuur!) zowel de eigen taak daardoor beter uitvoert als een meerwaarde beleeft van een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Dat zou in elk geval mooi zijn, toch?

Constructief samenwerken

Wat draagt bij aan een constructieve samenwerking tussen medezeggenschapsraad en raad van toezicht? Ik gooi er een paar wenselijkheden in bedoeld voor in tijden van goede verhoudingen (bij crisissituaties is meer nodig), ter overweging:

  • Vermijd onderwerpen waarover bestuur en MR actueel formeel overleg voeren en waarover het gesprek nog gaande is. Het kan alleen maar leiden tot onnodige verwarring, elkaar voor de voeten lopen, achterommetjes en dat soort onwenselijkheden. Bovendien: op enig moment zal de raad van toezicht hetzelfde voornemen van het bestuur ter goedkeuring voorgelegd krijgen en dan is een standaardvraag: hoe is het overleg met de MR verlopen? Daar tevoren invloed op hebben uitgeoefend door rechtstreekse communicatie tussen beide raden lijkt me minder zuiver.
  • Wees helder over de eigen verantwoordelijkheden van elk van beide organen. Zo is de raad van toezicht niet het klachtenbureau van de stichting en is de MR bedoeld om de visie van de bestuurder te toetsen aan het perspectief van de beroepskrachten en aan het perspectief van de vertrouwen-gevenden (ouders, leerlingen).
  • Geef elkaar de ruimte om te participeren in een volwaardige en gelijkwaardige relatie. Doe de leiding van de bijeenkomst om en om, kom samen tot agendavorming, evalueer samen de zinvolheid van de contacten,… Overigens, als raad van toezicht en MR tot de conclusie komen dat er een keer niets te bespreken is, dan kan een bijeenkomst natuurlijk gewoon gecanceld worden.
  • Bespreek onderwerpen die voor beide organen relevant zijn. Ik noem als voorbeelden:
    • De jaarlijkse update van het strategisch beleid: de notitie waarin het bestuur de raad van toezicht en de MR bijpraat over de relevantie van allerlei nieuwe ontwikkelingen voor de eigen organisatie en de gezamenlijke reflectie op deze update.
    • Een speerpunt uit het strategisch beleidsplan van de stichting/schoolplan van de school dat in uitvoering is. Hoe wordt dit op schoolniveau uitgewerkt? Hoeveel ruimte is daarbij voor het eigen profiel van de individuele school binnen een scholengroep? Waar loopt het team in de praktijk tegen aan? Levert het op wat er mee werd beoogd? Wat gaat goed, wat behoeft aandacht?
    • Een ontwikkeling waarvan verwacht mag worden dat die binnen afzienbare tijd gevolgen zal hebben voor de school/scholengroep. Denk aan krimp, aan personeelstekort, aan veranderde demografische verhoudingen, …..
    • Een ontwikkeling die onderwijs plaatst in een breder perspectief. Denk aan de bijdrage van onderwijs aan het lokale jeugdbeleid en het geheel van jeugdvoorzieningen.
    • Een ontwikkeling die actueel is in de professionele beroepsgroep, denk aan gepersonaliseerd leren, aan 21ste -eeuwse vaardigheden, aan doorlopende lijnen in de verticale kolom, aan rendementsvraagstukken, aan pedagogische en onderwijskundige vraagstukken, …
    • Een gezamenlijke evaluerende bespreking van elks bijdrage in een besluitvormingsproces inzake een bepaald onderwerp.
  • Neem de vrijheid om experts van buiten uit te nodigen, dus maak van een deel van deze ontmoetingen themabesprekingen en bevordering van deskundigheid.

Wat doen we met het bestuur?

Een vraagje in de sfeer van ‘wat doen we met moeder met Kerst dit jaar’? Ik hoop het niet. Sterker, ik hoop dat het bestuur de vaak geziene neiging om het contact tussen beide organen te controleren, in bedwang kan houden. Loslaten dus als je aanwezigheid niet nodig is. Zelf terugtreden en niet wachten tot het moment dat de voorzitter van de raad van toezicht vertelt dat ze het zonder jou ook wel kunnen. Maar omgekeerd, erbij zijn als er belangrijke inhoudelijke thema’s worden besproken die van strategisch belang zijn voor de school of scholengroep. Gezond verstand gebruiken dus.

Dat gezonde verstand blijkt ook als het bestuur voorstelt om regelmatig een informeel driehoeksoverleg te organiseren (Vz MR, Vz RvT, Vz CvB) waarin de verschillende processen en procedures op elkaar worden afgestemd.

Het lijkt me een onderwerp dat zich goed leent om ervaringen en suggesties te delen. Reageer gerust (harm.klifman@vbent.org). Misschien goed om in een latere column op door te gaan.

Doorsturen van deze (en andere) columns is natuurlijk toegestaan.

(Dank aan collega Jos van Elderen voor het meelezen en enkele suggesties)

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment

De zevende functie van taal

Om maar gelijk bij het eind te beginnen: vijf sterren voor De zevende functie van taal van Laurent Binet. Want dat verdient hij! Wat een lekker boek. Origineel, gewaagd, verrassend, sprankelend, superieur, welsprekend, en zo kan ik meer welluidende kwalificaties geven. Van zevendezijn Hhhh was ik al erg gecharmeerd – een voortreffelijk geschreven en spannend verhaal over een aanslag op de man achter (gepaster: het brein van) Himmler. In De zevende functie van taal speelt Binet opnieuw met de werkelijkheid, nu die van het filosofisch milieu in het Frankrijk van het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw.

Alleen al het idee, hoe kom je erop. De periode van de grote kopstukken uit de Franse filosofie uit die periode: Sartre, Althusser, Derrida, Kristeva, Soller, Foucault natuurlijk en Roland Barthes, de schrijver van onder meer het ook in het Nederlands vertaalde Le plaisir du texte, met wie het allemaal begon. De laatste komt onder een busje en overlijdt kort erna. Historisch is nooit opgehelderd hoe dit kwam. Binet weet er wel raad mee en vult deze leemte met een verhaal dat op een vaak hilarische en regelmatig ironiserende manier ingaat op de grote filosofische controverses die in die tijd spelen. De grote namen in dat vaak in het publiek gevoerde debat (wat verschilt Frankrijk toch van Nederland als het gaat om de publieke aanwezigheid van het filosofisch debat) vormen allemaal een romanpersonage bineten Binet doet alsof hij er ter plekke bij was om niet alleen hun vaak chaotische dialogen vast te leggen maar ook en misschien wel vooral om hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden, hun trots en kleinzieligheid te registreren.

We zitten in de tijd van de semiotiek, de wetenschap die gericht is op de betekenis der dingen, een wetenschap die niet alleen het talige als object heeft, maar in feite alle culturele uitingen beschouwt als systemen van samenhangende betekenissen. Dit is mooi te illustreren aan een van de hoofdpersonages genaamd Simon Herzog, docent semiotiek, die bij het zien van een gevaarlijke tegenstander deze aan de hand van allerlei uiterlijke kenmerken snel plaatst in een culturele en maatschappelijke context waarop hij vervolgens kan inspelen om de tegenstander onschadelijk te maken. Dit riekt allemaal naar geweld en dat klopt want daar is in dit boek volop sprake van.

Het verhaal gaat dat Roland Barthes tijdens zijn ongeluk dat plaatsvond na zijn lunch met presidentskandidaat Francois Mitterand, in het bezit was van een papiertje waarop de zevende functie van taal stond beschreven – een formule die de bezitter ervan de macht over het woord zou geven en daarmee over de werkelijkheid. Het zou gaan om een aanvulling op de dan bekende zes functies van taal die de linguïst Roman Jakobson eerder in beeld bracht. Politiek zeer gevoelig materiaal dus, temeer daar Frankrijk in een heftige verkiezingsstrijd om het presidentschap is verwikkeld. Al snel wordt duidelijk dat meerdere partijen geïnteresseerd zijn in dit document. In de roman volgen we inspecteur Bayart die opdracht heeft van de zittende president Giscard d’Estaing om het document te vinden. Bayart laat zich bijstaan door de genoemde Simon Herzog die de nodige kennis heeft op het gebied van de semiotiek. Samen gaan ze dus op zoek en zo belanden we in de kringen van een internationaal geheim genootschap waarin het disputeren aan de hand van stellingen tot kunst, of beter: tot strijd is verheven. Binnen de organisatie zien we een prachtige hiërarchie die regelt wie wie mag uitdagen. Aan de top staat Protagoras, daaronder de Sofisten, en zo lagere rangen. Binet schildert ons een paar van deze disputen en levert aldus prachtige staaltjes van welsprekendheid. O ja, een dispuut verliezen kost je wat: in elk geval een vingertop; wordt ter plekke ten overstaan van het publiek geregeld. Maar het kan nog erger en dat gebeurt ook. Philippe Soller, onder meer romanschrijver en echtgenoot van Julia Kristeva, kan ervan meepraten. Gelukkig is dit laatste bij mijn weten (tot nu toe?) alleen het geval in de roman, zoals ook Derrida die in de roman het loodje legt, nog in leven is. Maar dat geldt niet voor alle ‘feiten’ uit het boek zoals de moord die Althusser pleegt op zijn vrouw.

Het boek is op veel manieren te interpreteren en te waarderen.

Ik noem: als satire op het doorgeschoten Franse structuralisme dat soms verzandt in een soort geheimtaal dat velen intellectueel bevredigt maar dat ook volkomen buiten de werkelijkheid lijkt te staan. Tegenover deze geheimtaal zet Binet de zevende functie van taal in die ons niet echt wordt onthuld maar die alles lijkt te hebben van de perfecte performatief – een ‘uitvinding’ van Angelsaksische taalfilosofen, met name Austin en Searle: woorden die zelf de daad zijn waarnaar zij verwijzen, werkwoorden die de werkelijkheid door het uitspreken veranderen. Voorbeeld: de ambtenaar van de burgerlijke stand die met het uitspreken van de  woorden ‘ik verbind u in de echt’ het huwelijk voltrekt; het tekenen van de akte is slechts een formaliteit.  Ultiem voorbeeld: de goddelijke schepping uit het begin van het boek Genesis. Wie de zevende functie van taal goed vervult, beheerst de performatief perfect en heeft de macht over de wereld, zo lijkt het beeld.

De rechtstreekse ‘battle‘ tussen beide stromingen in de taalfilosofie (Amerika tegen Europa/Frankrijk, McEnroe tegen Borg, Searle against Derrida) wordt schitterend neergezet in de passage waarin het hele Franse milieu zich verplaatst heeft naar de VS. In het dispuut tussen beide richtingen is Binet werkelijk op zijn best. Overigens fascinerend om te zien hoe Binet speelt met de technieken van ecooverreding (dialectica) en overtuiging (retorica). En ja, bij wie zal hij dat geleerd hebben? Bij Umberto Eco misschien, die ook prominent aanwezig is in dit boek?

Ik noem: als satire op het genre detectiveroman: de alwetende rechercheur die verrassend steeds over nieuwe informatie blijkt te beschikken en er op andere momenten niets van begrijpt. Die een maatje nodig heeft om hem wegwijs te maken – waar kennen we dat van?

Ik noem: als satire op de serieuze karakterschetsen van het intellectuele Parijse milieu in die tijd door niet alleen de grote ideeën van de denker op te blazen maar door vooral hun kleingeestigheden daar doorheen te weven. En wat doet Binet dat knap. Zinnetjes met grote gedachten steeds afwisselen met zinnetjes die verwijzen naar banaliteiten. Klasse.

Ik noem: als satire op de heilige graal romans en al die andere verhalen waarin sprake is van een heilig voorwerp  dat opgespoord moet worden omdat het macht verleent over de wereld; verhalen met complotten waarin Dan Brown grossiert. Neem de bijeenkomsten van het geheime genootschap, zo treffend de Logos Club genoemd: je moet onwillekeurig denken aan Vrijmetselaars, aan alchemisten.

Ik noem de stijl: rechtstreekse taal, actieve zinnen, veel concrete woorden, veelheid aan beelden, vaak associndexiatief, vaak meerdere lagen in één dialoog.

Ik noem een echt Binet-dingetje dat me ook opviel in Hhhh: de auteur is af en toe zelf aanwezig in het boek, doet alsof hij stond toe te kijken en spreekt dan zonder blikken of blozen in de eerste persoon enkelvoud. Zo grappig.

Ik noem de mooie vertaling en las echt Nederlandse woorden als denkraam en Droste-effect. Ook klasse.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , | Leave a comment