8 Plussen en 8 minnen van ontwikkelingsmodellen

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -3- 

Je komt ze regelmatig tegen: modellen met daarin een weergave van de historische of conceptuele ontwikkeling van een vak of verschijnsel. Zulke modellen in de vorm van opeenvolgende fasen in de ‘evolutie’ van een vak of verschijnsel zijn in boeken en artikelen en ook in trainingen veelgebruikte hulpmiddelen door onderzoekers en adviseurs. En die hebben goede redenen om dergelijke modellen/schema’s te presenteren. Tegelijkertijd is het nuttig om te bedenken dat er niet alleen voordelen maar ook beperkingen kleven aan zo’n model. Met name die beperkingen komen niet altijd goed over het voetlicht. In dit blog daarom een overzicht van de plussen én minnen van dit soort schematische weergaven van een ontwikkeling.

Drie voorbeelden

Verspreid over dit blog treft u drie ontwikkelingsmodellen aan. Deze modellen zijn op het vrije internet beschikbaar en hier opgenomen om hun exemplarische waarde.
Het eerste is afkomstig uit een artikel dat Theo Schraven schreef voor Goed Bestuur (2, 2012, pag 58-59). Het betreft in het bijzonder de ontwikkeling van de governance in de zorgsector.
Het tweede vond ik op internet en is gericht op interne organisatievraagstukken.
Het derde is afkomstig uit een publicatie over kwaliteitszorg in het onderwijs, Kwaliteitszorg heeft een geest!? uitgegeven door B&T. Ik hoop dat de weergaven voldoende leesbaar zijn ;)

 

schraven!

Model 1: ontwikkeling governance zorg

Het vervaardigen van dit soort ontwikkelingsmodellen gaat niet vanzelf. Ze zijn het resultaat van een aantal mentale operaties die er op gericht zijn om de diversiteit in de werkelijke situatie op een bepaald domein te ontstijgen (abstraheren). Daardoor wordt het mogelijk om individuele situaties te her-vormen tot exempels die vervolgens, als exempels, worden geanalyseerd. Dat klinkt ingewikkelder dan het is, maar neem het schema van Schraven (model 1) als voorbeeld: hierin wordt de bestuurlijke situatie (de inrichting van de governance in de zorg) in allerlei concrete organisaties in beeld gebracht aan de hand van een serie kenmerken, in dit geval ‘dimensies’ genoemd. Daarbij kan het niet anders of er worden keuzes gemaakt omdat niet alle concrete verschillen kunnen worden opgenomen. Vergelijk het met het berekenen van een gemiddelde uit een serie getallen. De ervaring van de opsteller van dit model speelt hierbij een belangrijke rol want het is diens oordeelsvermogen dat hierin zorgt voor de juiste keuzes. En of de opsteller inderdaad de goede keuzes maakt, valt goed af te lezen aan de ontvangst van zijn model door vakgenoten.

gov hub

Model 2: TGH model

Wat zijn nu de plussen en de minnen, de voortreffelijke mogelijkheden en de even belangrijke beperkingen van het soort modellen dat hier wordt besproken?

De plussen

1. Zo’n model heeft de bedoeling en wordt in de regel ook ervaren als verhelderend: het geeft inzicht in een situatie, het brengt de werkelijkheid van een domein of een bepaalde sector gestructureerd en samenhangend in beeld.
2. Zo’n model geeft taal aan die werkelijkheid waardoor daar überhaupt over gesproken kan worden. De gekozen termen verwijzen naar handelingen of interacties die daarmee een naam krijgen, tot een entiteit worden en daardoor herkend en erkend. Het schema verkrijgt zodoende een communicatieve waarde in de zin dat het door de aangereikte taal en onderscheidingen een zinvol gesprek mogelijk maken en daarmee een reflectie op de eigen situatie. De modellen 1 en 3 hebben ook nadrukkelijk die bedoeling.
3. Zo’n schema ordent, integreert, geeft structuur en verleent zodoende ook een zekere logica aan een bepaalde situatie. Alle stukjes vallen op de goede plek, het microsysteem per verticale kolom is in zichzelf consistent. Dit geldt voor alle drie de geïllustreerde modellen.
4. Het model wint aan kracht als de samensteller er in slaagt om voor de invulling van de horizontale lijnen, dus de typerende kenmerken binnen een bepaalde dimensie, termen te vinden die binnen hetzelfde taalregister vallen maar onderling distinctief zijn. Dat maakt de vergelijking inzichtelijk en de verschillen concreet, herkenbaar en van betekenis.
5. De opeenvolgende (verticale) kolommen in model 1 bevatten in hun gezamenlijkheid een reconstructie (een analyse achteraf) van een ontwikkeling. De inherent veronderstelde gelijktijdigheid per verticale kolom zal in werkelijkheid diffuser zijn geweest dan het schema suggereert en dat is eigen aan ontwikkeling. Niet alle organisaties in een bepaalde sector zullen gelijktijdig de overstap van het ene taakopvatting naar de volgende taakopvatting hebben gemaakt. Er zal een zekere mate van ongelijktijdigheid in de synchroniciteit hebben gezeten. Ondanks deze verschillen in tempo is er, door het schema, een gesprek mogelijk.
6. Een ontwikkelingsmodel heeft een didactische waarde omdat het op het niveau van kennisoverdracht een helder beeld biedt van de ontwikkeling van bijvoorbeeld de governance (model 1) of de kwaliteitszorg (model 3) in een sector.
7. Het model heeft een codificerende functie doordat het (met terugwerkende kracht) conceptuele eenheid creëert en als het met enig geweld zijn helderheid oplegt aan het verleden. Met andere woorden, het verleden wordt met terugwerkende kracht geharmoniseerd.
8. Modellen als deze laten in de regel onbesproken wat de reden is voor de overgang van de ene taakopvatting naar de andere taakopvatting terwijl die er toch altijd zal zijn. Met andere woorden, er zal altijd een aanleiding zijn om te veranderen en die aanleiding is extern (nieuwe regelgeving, al dan niet onder invloed van ontsporingen in de sector) en daarmee nieuw en niet eigen aan de vigerende kolom. Óf de aanleiding is te motiveren vanuit ongenoegen in het opereren binnen de vigerende kolom zodat een volgende stap als wenselijk of noodzakelijk wordt ervaren. Het is interessant om bij reflectiebijeenkomsten dit verschil goed in beeld te hebben.
Model-strat-kwaliteitsmanagementkopieModel  3: Kwaliteitszorg onderwijs

De minnen

1. Om maar gelijk aan te sluiten bij het laatstgenoemde pluspunt: spreken over de volgende stap in een ontwikkeling suggereert dat ontwikkeling iets is dat metaforisch geduid kan worden als het afleggen van een bepaalde route en wel stappen in een opwaartse richting, van matig naar voortreffelijk. Iedere organisatie zet stappen en al die stappen volgen een bepaalde richting, als ware het een ‘Jacob’s ladder’. De ‘agile’-situatie in het THG-model oogt als het ultieme perspectief en ook model 3 betreffende kwaliteitszorg suggereert een serie cumulatieve verbeteringen.
2. De reconstructie zoals model 1 dat geeft van de governance-ontwikkeling in de zorgsector is een duiding achteraf die in die duiding spreekt in termen van gefaseerde tijdseenheden. Dit suggereert dat de overstap van de ene kolom naar de volgende systematisch en over de hele linie van dimensies tegelijk gebeurt, maar dit zal zelden het geval zijn.
3. in de lijn van een bekende en tegenwoordig vaak geciteerde uitspraak van de Deense filosoof Kierkegaard: „Het is beslist waar, zoals de filosofen zeggen, dat het leven naar achteren moet worden begrepen. Maar ze vergeten de andere kwestie, dat het leven naar voren moet worden 266px-Kierkegaardgeleefd.” De laatste kolom bevat de beschrijving van de actuele situatie, de situatie dus op het moment dat de opsteller het schema vervaardigt. Het schema suggereert dat de meest rechtse kolom niet alleen de actuele maar tegelijk de finale fase is; terwijl de logica van het schema zelf alles in zich heeft om te veronderstellen dat ook deze bui weer overwaait en er een nieuwe taakopvatting dominant wordt. En Kierkegaard maakt impliciet duidelijk dat daarbij keuzes moeten worden gemaakt met alle onzekerheden van dien. De helderheid achteraf is zelden ook de helderheid vooraf.
4. De categorieën uit de eerste kolom ( de dimensies in het schema 1 van Schraven) bevatten een hoewel weloverwogen, een keuze in kijkrichting. Deze keuze voor een bepaalde kijkrichting is gebaseerd op een combinatie van common sense en praktijkervaring, maar zal voor een wetenschappelijke rechtvaardiging nog wel een nadere onderbouwing behoeven.
5. Het schema heeft, zoals elk schema, een selecterende functie en ziet alleen wat het zien wil. Maar de hamvraag is en blijft ook dan: wordt alles gezien en meegenomen in de analyse of worden er ook zaken weggelaten of geëlimineerd? Ter illustratie model 1: op het eerste gezicht zou het antwoord kunnen zijn dat de linkerkolom echt alle wezenlijke elementen (dimensies) uit de governancestructuur in de zorg bevat. Het is de vraag of het gekozen perspectief (huidige governanceopvattingen) hierin niet voorsorteert. Het TGH-model (model 2) lijkt vooral geïnspireerd door de laatste fase die met terugwerkende kracht zijn stempel drukt op de fasen die eraan voorafgaan.
6. Schema’s zoals hier besproken, hebben in de regel in de ogen van de opsteller een descriptieve status. Ze hebben dus een beschrijvende en, zoals in model 1, een reconstruerende functie maar in het gebruik van dit soort schema’s liggen normatieve implicaties al snel op de loer. Dit geldt zeker in didactische situaties waarin schema’s als deze worden gepresenteerd als een referentiemodel waaraan de eigen ontwikkeling kan worden geanalyseerd. De overgang van sein naar sollen wordt dan al snel gemaakt. Uit mijn advieservaring weet ik dat de Inspectie van het Onderwijs lichtvoetig omgaat met dit verschil. Maar ook in de handen van adviseurs is de verleiding groot om het ontwikkelingsmodel niet alleen gebruiken om iets te verhelderen maar ook om de opdrachtgever op het spoor van (te begeleiden) verandering te zetten. De gekozen terminologieën in de model 2 en de vormgeving in model 3 hebben een impliciet uitnodigende lading.
7. Zo’n schema doet veronderstellen dat de beweging slechts één kant op gaat (naar rechts) terwijl het heel goed mogelijk is dat omstandigheden het noodzakelijk maken om (eventueel op onderdelen/dimensies) een stap terug te doen. Ook is het niet zo dat elke verticale kolom iets volstrekt nieuws brengt, integendeel, vaak wordt er veel ‘meegenomen’ uit de vorige fase, de volgende fase in. Er is altijd sprake van continuïteit en discontinuïteit tegelijk. De schema’s 2 en 3 lijken dit ook te impliceren.
8. De gekozen termen in het schema, met name in de bovenste horizontale balk, suggereren een zekere neutraliteit. Dit roept daardoor wel de vraag op: ‘waar zit de impliciete referentie aan de morele dimensie?’ Met andere woorden, ze lijken een spiegel te zijn van het maatschappelijk bewustzijn op enig moment, of beter: de maatschappelijke preoccupatie met hoe het intern toezicht wordt georganiseerd.

Tot slot

Ik heb in dit blog de plussen en minnen willen schetsen van schematische voorstellingen van ontwikkelingen. Wellicht ten overvloede: ik heb niets tegen dit soort modellen. Ik hoop in het bovenstaande voldoende aangetoond te hebben dat er veel voordelen zitten aan dit soort overzichten maar dat die voordelen de beperkingen niet mogen verhullen.

Dit blog verschijnt in de serie Verborgen filosofie in de taal van de adviseur. Welnu, over die taal en de verborgen filosofische opvattingen daarin, is meer te zeggen dan ik in het voorgaande deed. Voor de adviseur is zo’n model of schema iets voor in zijn Toolkit, een van de instrumenten waarvan hij of 200px-20060513_toolboxzij zich bedient, zoals ook de metafoor of de analogie of de oppositie dat zijn. En wat mij bijzonder fascineert is de vraag: wat doet de adviseur als hij zo’n gereedschapskist voor zichzelf vult? Wat zeggen al die instrumenten (elk voor zich) over de werkelijkheid (of doen ze de werkelijkheid wat aan?) en wat betekent het dat de adviseur dit weer opvat als een ‘gereedschapskist’, immers óók een metafoor! Welnu, ik heb in deze bijdrage het accent willen leggen op de modellen als zodanig. Op een later moment zal ik nader ingaan op de vraag waarom adviseurs graag met dit soort modellen werken.

Vond u dit blog nuttig en mogelijk ook interessant voor anderen? Deel het dan via uw sociale netwerken!

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , | Leave a comment

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -2-

In de eerste aflevering van deze nieuwe serie blogs introduceerde ik het onderwerp dat de komende jaren de rode draad zal zijn in mijn onderzoek. Ook schetste ik de verschillende wegen die openstaan voor nadere verkenning alvorens een meer precieze en concrete route uit te stippelen. Zeker is dat ik de weg op wil van de taalfilosofie – een relatief jonge en bescheiden tak van de wijsbegeerte maar wel een vol voetangels en klemmen. (Lees deze eerste zinnen gerust nog een keer, let op de gebruikte beeldspraak en je krijgt een indruk van waar het over zou kunnen gaan: naar welke werkelijkheid verwijzen al die metaforen die ik in deze korte alinea gebruikte?) 

In mijn inwerkperiode zal ik me dus grondig moeten verdiepen in de verschillende taalfilosofische stromingen. Maar er is nog een andere kant van het verhaal dat ik wil schrijven: die van de taal van de adviseur/consultant.

Om voor mezelf meer beeld te krijgen bij het filosofisch denken over het werkveld van de adviseur las ik de afgelopen weken enkele boeken over deze functionaris en over zijn gesprekspartner annex opdrachtgever: de bestuurder c.q. manager. Dat leverde enkele interessante inzichten op.

Modes in management
Management is uit, leiderschap is in. Een kwestie van bordjes verwisselen en meer van hetzelfde? Het lijkt er wel op: populaire boeken, alles belovende titels, goeroes, met in hun kielzog adviseurs/consultants die zorgen voor verdere verspreiding en ‘implementatie’ . Meer van hetzelfde en toch steeds net even anders, maar telkens met absolute waarheidsaanspraken en exclusiviteitspretenties.

In 2000 schreef de huidige Denker des Vaderlands (deze eretitel verdient hoofdletters, toch?!) René ten Bos een uitdagend boek over Modes in management. Een filosofische analyse van populaire 266px-René_ten_Bos_September_2017organisatietheorieën, oorspronkelijk in het Engels geschreven en in 2002 in een Nederlandse vertaling verschenen. Een paar jaar daarvoor verscheen al van zijn hand Strategisch denken. Op zoek naar nieuwe helden, dat heel goed valt te omschrijven als een voorstudie op Modes in management. Beide boeken stonden jaren in mijn kast, ik had ze ook al gelezen maar waren toch ook weer uit beeld geraakt. Gelukkig, wie wat bewaart, heeft wat. Deze boeken kwamen nu zeer goed van pas, te meer daar Ten Bos in Modes in management vooral het handelen van goeroes, consultants/adviseurs en ondernemers in het vizier heeft. Passender bij mijn onderwerp kan haast niet.

Cliffhanger
De twee boeken hebben duidelijk iets gemeen. Ten Bos zet als filosoof vraagtekens bij allerlei kennelijke vanzelfsprekendheden in de wijze waarop naar organisaties wordt gekeken en naar de manier waarop die organisaties omgaan met vitale vraagstukken als een bedrijfsstrategie.
Het leuke van de stijl van Ten Bos is, dat niets ‘natuurlijk’ is of logisch of rationeel of vanzelfsprekend waar en daarom niet discutabel. Heilige huisjes bestaan voor hem niet, hij is openlijk polemisch. MiMWaar auteurs van managementboeken graag een appèl doen op het gezond verstand en het rationele denken, geeft Ten Bos ook ruimte aan de rol van minder grijpbare (en daarmee manipuleerbare) zaken als emoties, zintuigen en persoonlijke smaak. Waar menigeen een punt zet, plaatst Ten Bos een vet vraagteken. En waar een ander de alinea afsluit, komt Ten Bos met een onverwachte cliffhanger in de trant van: ’hij zegt dat nu wel maar is dat ook zo?’ ‘Waarom zou de functie van manager een professie moeten worden, zoals neorationalisten bepleiten?’ ‘Wat is er mis met de belangstelling van managers voor modieuze opvattingen over organisaties? Ze konden wel eens een heel goede reden hebben voor die belangstelling!’ ‘Modes kunnen ons vanuit een heel onverwachte kant mogelijk iets leren over de manier waarop organisaties werken’. Ten Bos grossiert in dit soort statements en geeft altijd een nadere toelichting of onderbouwing.

Vijf modes
Ten Bos heeft wel wat met managementmodes, hij bagatelliseert ze niet zoals academici en bepaalde categorieën van organisatie-adviseurs dat doen (zonder door te hebben dat ook hun opvattingen vaak modieus zijn), maar is toch ook niet onkritisch. Sterker, hij verwijt goeroes van managementmodes zoals de Peters, Mintsbergs, Prahalads, Hammers en Coveys van de laatste decennia, juist dat ze niet kritisch en consequent genoeg zijn en uiteindelijk ten prooi vallen aan het utopistisch denken waar ze zich in de regel tegen verzetten. En daarmee raken we aan een wezenlijk uitgangspunt in de analyse van Ten Bos over de situatie in de organisatiekunde: elke theorie (en elke mode) draagt uiteindelijk elementen in zich die zijn te herleiden tot utopistisch denken. Terwijl modes juist een tegenwicht tegen utopistisch denken zouden kunnen vormen; helaas schieten ze daarin uiteindelijk tekort waardoor ze allereerst zichzelf tekort doen. Dat is tegelijk de conclusie van zijn verhaal nadat hij heeft ingezet op een beschrijving van de ‘titanenstrijd’ tussen mode enerzijds en utopie anderzijds. Ten Bos beschrijft die strijd vanuit vijf modieus onderwerpen in de organisatiekunde van de laatste decennia: strategie, leiderschap, cultuur, de lerende organisatie en business process redesign. Me dunkt, onderwerpen die nog niet zijn bijgezet in de galerij van afgesloten hypes.

Sleutelwoorden
‘Utopistisch denken’ en ‘mode’ – om de strijd tussen die twee begrippen draait het dus in het boek Modes in management. Juist omdat deze twee begrippen zo’n cruciale rol spelen is het goed te weten wat Ten Bos er onder verstaat. Laat ik met ‘mode’ beginnen.

Dat woord ‘mode’ gebruikt hij in drie verschillende maar wel semantisch samenhangende betekenissen: (1) mode in de zin van stijl die populair is, vgl. fashion, (2) als metafoor voor alles wat vluchtig, esthetisch, stijlvol, oppervlakkig experimenteel, emotioneel etc is. Ten Bos gebruikt hier liever adjectieven dan substantieven omdat die laatsten vaak massiever zijn, vastleggen en vastliggen, en (3) mode is de zin van ‘theorie’, hier tussen aanhalingstekens gezet om aan te geven dat hieronder niet een rationeel onderbouwde theorie wordt verstaan maar een veel lichtere variant ‘die gelooft in het primaat van de zintuigen en zich richt op processen en continuïteit.’ Daarmee gaat het om een theorie ‘die ons aanspoort om aan de oppervlakte te blijven. Daarom geloof ik dat mode ons meer plausibele inzichten in de wereld van de managers biedt dan wetenschappelijke of utopistische idealiseringen’ (pag. 16). Daarmee doet Ten Bos een groot beroep op zijn lezers omdat deze derde betekenis van ‘mode’ alles in zich draagt van een contradictio in terminis.

Utopisme
En dan die tegenpool: utopisme, of beter utopistisch denken (als vergrotende trap van ‘utopisch’ denken). Ten Bos baseert zich voor de betekenis van dit woord op de ‘briljante beschouwing’ van de Nederlandse filosoof (en toevallig de eerste Denker des Vaderlands) Hans Achterhuis. Die kwam met 266px-Achterhuis2017een rijtje kenmerken waarmee het begrip utopie zich goed laat omschrijven (pag. 31-33). Ik geef ze hier verkort weer om in elk geval een beeld te geven:
– Het utopisme maakt het individu ondergeschikt aan het collectief.
– Het utopisme gelooft sterk in de maakbaarheid van dromen, leidend tot een ‘beangstigende beheerslogica’.
– Het utopisme keert zich tegen de mythe van de aangeboren goedheid van de mens.
– Het utopisme gelooft in de ‘verbondenheid van totaliteit en detail’. Waardoor afwijkende opvattingen niet op prijs worden gesteld.
– Het utopisme is radicaal en wenst te breken met het verleden.
– Liefde en seksualiteit zijn gevaarlijk omdat ze onbeheersbaar zijn.
– Een obsessie met hygiëne en zuiverheid.
– Utopia is geen luilekkerland. Schone arbeid staat hoog in het vaandel.
– Het geluk vormt de rechtvaardiging van Utopia, maar dan wel geluk in de utilitaire, berekenende betekenis van het woord.
– Het geweld is onvermijdelijk, niet alleen om anderen op afstand te houden, maar ook om alle inwoners onder controle te houden.

Gereduceerd beeld werkelijkheid
Ik geef dit lijstje om te laten zien dat het voldoen aan deze kenmerken niet mogelijk is anders dan door strakke regie, rationele liefst wetenschappelijke planning, expliciete of impliciete hiërarchie en volledige overgave aan het ideaal. Welnu, doorheen Modes in management, maar ook in Strategisch denken laat Ten Bos zien hoe veel van deze kenmerken ook terugkomen in de vijf managementmodes die hij bespreekt, zoals die van ‘de lerende organisatie’. Ik moet zeggen – het leverde frequent voor mij onthullende inzichten op. Aan eye-openers geen tekort in deze boeken. En steeds keerde hierbij terug de kritiek dat in die managementvisies sprake was van een gereduceerd beeld van de complexiteit die eigen is aan de werkelijkheid. Iedere goeroe creëert een beeld van een werkelijkheid die deze herleidt tot herkenbare, hanteerbare en daarmee te manipuleren eigenschappen. In Strategisch denken ent hij dit gecreëerde beeld van de werkelijkheid op een strategisch denkendaaraan inherent gebruik van een ‘verarmde rationaliteit’ die als kenmerken heeft dat ze volledig in dienst staat van efficiëntie, volledig vertrouwt op procedures, alles verwerpt wat hier niet in past en de illusie van controle en zekerheid bevordert (pag. 105-106). Zoiets als ‘toeval’ zul je niet gauw uit de mond van een goeroe horen. Evenmin over de rol van ‘toeval’ in het succes van de ene organisatie en in het uitblijven daarvan in een andere. ‘Toeval’ als vorm van onbeheersbaarheid bestaat in hun ogen niet. ‘De goeroe en de consultant moeten die onbeheersbaarheid in de doofpot stoppen om hun eigen nering niet te schaden’ (Mim, pag. 139).

Managers relativeren
Terwijl goeroes hun best doen om hun inzichten succesvol over het voetlicht te brengen als een definitieve stap in de goede richting (cynisch genoeg verzetten goeroes zich tegen bestaande modes terwijl ze daar zelf zonder blikken of blozen de volgende tegenaan zetten) en adviseurs graag meeliften op het succes daarvan, is het toch bepaald niet zo dat managers zich onkritisch laten inpalmen door weer de volgende ‘trend in management’. Ten Bos relativeert de invloed van goeroes tot een aangenaam reflectiemoment voor de manager die, in zijn of haar ‘dagje op de hei’ even de mogelijkheid krijgt om aan de hectiek van alledag te ontsnappen.

Metaforen
Er is nog veel meer te zeggen over deze twee interessante en qua gedachten rijke boeken. Zo zit er in Modes in management een uitvoerige beschouwing over de rol van metaforen. En door de studies van Gareth Morgan weten we dat deze stijlfiguur ook zijn weg heeft gevonden in de organisatiekunde. Ook hier maakt Ten Bos een opmerking die me aan het denken heeft gezet: horen metaforen wel thuis in de wereld van de rationele organisatiekunde? Zijn het niet meer stijlmiddelen die juist hun betekenis ontlenen aan een andere, meer lyrische of muzische manier om naar de werkelijkheid te kijken? En als ik daar op door redeneer: zijn er niet goede redenen te geven om de metafoor te bevrijden van wat genoemd kan worden ‘het oneigenlijk gebruik’ ervan in andere ‘werelden’ dan die van de retorica? Ik denk dat dit een wel erg vėrgaande conclusie zou zijn, gelet op het gegeven dat metaforen niet alleen in de poézie en literatuur in het algemeen een belangrijke rol spelen – ook ons dagelijks taalgebruik is ermee doorspekt, zie de openingsalinea van dit blog.

Andere motieven managers?
Ik rond af. Er is meer over beide boeken te zeggen dan ik in het voorgaande heb gedaan. Zo heb ik de neiging om kanttekeningen te plaatsen bij de relevantie van de oppositie of ‘titanenstrijd’ tussen mode en utopie zoals Ten Bos die schetst, hoe leerzaam en onthullend zijn analyses ook zijn. Om daarvan een indicatie te geven: als het waar is dat managers heel goed kunnen omgaan met de betrekkelijkheid van (alweer) een ‘ ieuw en definitief inzicht’ in hoe organisaties zouden moeten functioneren, wat is dan het spel dat tussen goeroes annex adviseurs enerzijds/consultants en anderzijds managers/ondernemers wordt gespeeld? Reageren die managers/ondernemers inderdaad op het alles belovende beeld dat de goeroe hem of haar voorhoudt of is er sprake van een heel andere impuls? Ten Bos noemde al het ‘voor een moment ontvluchten’ van de dagelijkse hectiek en dat is echt een andere impuls dan de goeroes met hun nadruk op vergroting van de bedrijfsresultaten doen voorkomen. Ik stel me voor dat een onderzoek onder de motieven van die managers ook andere beweegredenen zou blootleggen, zoals onzekerheidsreductie, collega’s ontmoeten, interessante ideeën horen, vergroting van persoonlijke vaardigheden, beeld vormen van actuele zaken,…. Een dergelijk onderzoek zou de impliciete heftigheid in de dichotomie tussen mode en utopie (‘titanenstrijd’) kunnen relativeren.

Daar komt bij dat veel managementgoeroes afkomstig zijn uit of schrijven over het Angelsaksische bedrijfsleven waar de rol van de manager een andere invulling krijgt dan die hij heeft in het meer Rijnlands ingerichte bedrijfsleven zoals wij dat kennen en dat hier te lande nog eens wordt aangedikt met een stevige laag polderklei.

Kuil
Een laatste kritische kanttekening: Ten Bos verwijt goeroes dat ze een sterk gereduceerd beeld geven van de werkelijkheid waar ze dan hun eigen ‘beloofde werkelijkheid’ (hun ‘utopie’) tegenover zetten. Het aardige is dat ik met name in Strategisch denken daar heel wat voorbeelden tegen kwam, zoals de figuur op pagina 140 waarin de ‘bureaucratische overheid’ geplaatst wordt tegenover de ‘ondernemende overheid’.
Inderdaad, Ten Bos was, toen hij dat boek schreef, zelf actief als adviseur/consultant bij Schouten en Nelissen. Het lijkt erop dat hij soms zelf in de kuil valt die hij voor anderen had gegraven.
Ben benieuwd of hij in die tijd een spanning heeft ervaren in de twee rollen van adviseur/consultant enerzijds en filosoof anderzijds.

Volgende stap?
Tot zover de beide boeken van Ten Bos die me veel leerde over op een filosofische manier kijken naar management. Wat moet mijn volgende stap worden? Op dit moment kom ik tot twee conclusies:
Ten Bos bevestigt mijn beeld dat in de wereld en met name in de taal van de adviseur stijlmiddelen metapherszoals de metafoor, een belangrijke rol spelen. Las ik al eerder de befaamde en vernieuwende studie van George Lakoff, Metaphers we live by, het begrip metafoor heeft toch een veel ruimere traditie dan Lakoff er aan geeft. Misschien is het goed om mijn beeld hiervan te scherpen en daarbij vooral te letten op een mogelijke spanning tussen de lyrische duiding van de metafoor enerzijds en de rationalistische omgang ermee anderzijds.
Metaforen vormen een belangrijk instrument in de handen van (goeroes en) adviseurs. Is er literatuur te vinden die ingaat op het (voornamelijk) talige instrumentarium van deze beroepsgroep?

Andere lectuur
Naast de hier besproken boeken van René ten Bos las ik ook nog andere boeken zoals de spannende thriller van Guido Eekhaut, Slender Man waarin een vrouwelijke gepensioneerde politie-inspecteur uit Edinburgh, in Londen waar ze is gaan wonen met haar veel jongere vriendin, getuige is van een koelbloedige moord op een vrouw door twee meisjes van 14 en Slender-man15 jaar. Kon dit zien ongestraft blijven? Eekhaut varieert in dit boek op een bekend personage uit computerpellen en films

Verder las ik de roman Vaak ben ik gelukkig van Jens Christian Grøndahl waarin een tweevoudig weduwe terugkijkt op haar lang niet altijd gemakkelijke verleden, hetgeen haar niet belet om moedig nieuwe realiteiten te aanvaarden.

UnknownEn ook ben ik bezig met het prachtig verzorgde De geest uit de fles waarin filosoof Ger Groot een mooi
historisch (filosofisch) antropologisch overzicht biedt van de wording van de moderne mens (zeer geschikt eindejaars-/Sinterklaas-/kerstgeschenk!), met de fraaie verzamelbundel Alle vogels van Koos van Zomeren (idem!) en mediteer ik over passages uit Open uw hart van Henri Nouwen.

Vond u dit blog interessant of nuttig en mogelijk ook van belang voor anderen? Deelt u het dan via uw sociale netwerken. 

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur -1-

In juli van dit jaar sloot ik mijn loopbaan af als adviseur in het onderwijs. Ik ben nu met pensioen maar zit niet stil, integendeel.  In een van de vorige blogs gaf ik al een inkijkje in mijn ‘programma’ voor de komende tijd. Inmiddels is een en ander daarvan verstreken. Een overgangsperiode van drie maanden (aug/okt) gevuld met reizen en andere activiteiten, ligt achter me. Deze periode van ‘leven in de tussentijd’ werd in de overgang van oktober naar november afgesloten met een weekendje Dublin waar ik mijn 32ste marathon liep. Vorige week had ik mijn eerste week in het nieuwe regime van regelmatige studie en concentratie op een mogelijk onderzoeksobject voor een dissertatie in de filosofie.

Mijn beeld hierbij is het volgende. Ik wil tot diep in het voorjaar van 2018 voor mezelf aan de studie en wel met twee doeleinden: mezelf goed inlezen in allerlei relevante literatuur en schrijven van een concrete (concept) onderzoeksopdracht. Met dat laatste wil ik in het voorjaar 2018 op zoek naar een promotor die bereid is me te begeleiden.

Ik realiseer me goed dat er allerlei spannende kanten zitten aan deze aanpak: want wat valt allemaal niet onder ‘relevante literatuur’? Verlies ik mezelf in de mer à boire van literatuur die potentieel relevant en in elk geval interessant is? Lukt het me om een probleemstelling te formuleren die filosofisch van betekenis is en die zich leent voor een welomschreven promotie-opdracht? Lukt het me om een hoogleraar te vinden die zijn zegen wil geven over mijn voorstel of moet ik mijn ideeën daarvoor eerst aanpassen? En als dit laatste het geval is, kan ik me daar dan mee verbinden? Lukt het me überhaupt om de discipline op te brengen om serieus en consequent studieus aan de slag te gaan?

Op dit moment dienen zich nogal wat mogelijkheden aan die zich m.i. allemaal lenen voor een filosofische doordenking van vooronderstellingen en van de filosofische vragen die in de door de adviseur gebezigde taal besloten liggen.

In het advieswerk dat ik uitvoerde ging het altijd om dingen die er nog niet waren. Immers, opdrachtgevers schakelen een extern adviseur in ter compensatie van een gemis in eigen gelederen (in de organisatie of in zichzelf). Dat gemis kan betrekking hebben op heel triviale zaken als tijd en mankracht maar het kan ook en vooral gaan om inhoudelijke expertise of ervaring in het begeleiden van veranderprocessen. De opdrachtgever neemt om enigerlei reden geen genoegen met het bestaande en heeft behoefte aan verandering daarvan. De extern adviseur wordt geacht geoefend te taal van veranderingzijn in verandermanagement en doorkneed te zijn in de taal en techniek van veranderprocessen. ‘De taal van verandering’. Rombout van den Nieuwenhof is er eerder op gepromoveerd in een prachtige en doorwrochte studie. Tegelijkertijd constateerde ik bij lezing ervan dat hij onvoldoende oog voor de filosofische aspecten van de taal waarin veranderaars de verandering structuur geven.

In het advieswerk dat ik deed in de sector onderwijs, ging het vaak om het creëren van een nieuwe toekomst voor een school of scholengroep. Denk aan schoolplannen en (vaker) strategische beleidsplannen op stichtingsniveau (scholengroep). In ons advieswerk schilderen we dan een traject van a naar b, van ‘wat is’ naar ‘wat we met elkaar willen’ binnen de grenzen van ‘het mogelijke’ en met inbegrip van ‘het noodzakelijke’, waaronder ‘het wettelijk verplichte’. Het gaat in zo’n situatie steeds om twee werelden, die van ‘het nu’ en die van ‘het dan’. Eerste zorg is het eens te zijn over een gedeelde visie op de wereld van ‘het nu’. En wat is er voor nodig om vast te kunnen stellen dat er sprake is van een gedeelde visie? En is de constatering daarvan tevens de garantie van de aanwezigheid ervan? Ik kan het nauwelijks geloven en toch leven we ermee een van de vele ficties die samenleven mogelijk maken. De wereld van ‘het dan’ is er een die vooralsnog (en ook daarna) alleen bestaat in taal: in woorden verpakte beelden van een gewenste realiteit waarvan we hopen dat we daar hetzelfde beeld bij hebben. Zo noemen we dat, al is de aanduiding ‘ergens een beeld bij hebben’ behoorlijk fragiel.

Om die twee werelden van ‘het nu’ en ‘het dan’ goed te contrasteren gebruiken adviseurs hulpmiddelen zoals scenario’s, metaforen, opposities en kwadranten. Interessant is om te reflecteren op de vraag wat de status is van dat soort ‘hulpmiddelen’.

Over hulpmiddelen gesproken – ik zette het woord al even tussen aanhalingstekens – taal is het instrument van de adviseur bij uitstek en zo kijken we er ook altijd naar. Een goede adviseur is altijd ook en allereerst een taalvaardige adviseur. De Nederlandse filosoof Cornelis van Peursen zei in een van zijn colleges: helder schrijven is uitdrukking van helder denken. Is het omgekeerde ook waar: is niet helder geschreven tekst uitdrukking van onhelder, onaf denkwerk? Dit terzijde.

Is de taal van de adviseur echt een instrument zoals de hamer dat is in de hand van de timmerman of de boor in het hand van de tandarts? Ik denk van niet. De taal van de adviseur  is meer dan een verlengstuk van de vakman of vakvrouw: taal is de drager van de betekenis die uiteindelijk wordt gecreëerd. Dat roept allerlei vragen op: welke werkelijkheid (‘het dan’) wordt er in de taal van de adviseur tot aanzijn gebracht? Of moeten we spreken van een werkelijkheid die ontsloten wordt? Als dat om een nieuwe werkelijkheid (feitelijke stand van zaken) gaat, die wordt beoogd en nog niet is gerealiseerd,  wat is dan de ontologische status van die in woorden uitgedrukte werkelijkheid? Is die 399px-Aristotle_Altemps_Inv8575er al, zij het alleen in taal? Of wordt die werkelijkheid van ‘het dan’ gerealiseerd in de mate dat de betrokken actoren die aanwezig doen zijn in concrete praktijken in hun handelen? Mogelijk biedt de oorzakenleer van Aristoteles hier interessante perspectieven voor duiding….

Hoe dit zij, er is in de taal van de adviseur heel wat verborgen filosofie aanwezig. Een aanpalende vraag is of de adviseur zich hiermee in een unieke positie bevindt. Is hij of zij de enige die actief bemiddelt tussen de wereld van het nu en die van het dan? Het lijkt me niet. Ook in andere beroepen gebeurt dat en ook de politicus doet niet anders. Daarom sluit ik niet uit dat mijn directe aanleiding (mijn achtergrond als adviseur) om te kiezen voor de verborgen filosofie in de taal van de adviseur wel eens een verbreding zou kunnen krijgen. we gaan het merken.

Er staan naast de al genoemde nog andere onderzoeksweggetjes (‘onderzoek als landschap’) open voor eerste verkennende activiteiten. Ik noem er een paar. Is wat de adviseur en zijn opdrachtgever gezamenlijk willen bereiken te verbinden met de notie van het verlangen en/of met die van de wil? Die twee (wil en verlangen) vallen niet samen maar beide zijn wel relevant als drijvende kracht achter verandering als zodanig….. En nu het toch gaat om twee werelden, die van ‘het nu’ en die van ‘het dan, is er dan ergens in het werk van de adviseur in opdracht niet ook een verwijzing aanwezig naar een utopie, naar het ideale leven, of, bescheidener geformuleerd’, naar de notie van het goede leven?

Kortom, er zijn nogal wat mogelijkheden en interessante vragen die nu al opdoemen. Omdat taal in mijn verwachte/beoogde onderzoeksopzet een belangrijke plaats zal innemen,  ben ik vorige week begonnen met intensieve lezing van een boekje van Jos Defoort, Het woekerende schrift over Derrida-by-Pablo-SeccaDerrida, met name over diens filosofie van  het schrift. De keuze voor dit boekje kan op het eerste gezicht vreemd klinken, maar dat is dan een misverstand. Defoort gaat uitvoerig in op een onderwerpen van algemenere aard die de afgelopen decennia veel aandacht hebben gekregen. Ik noem de kritiek op de klassieke tekentheorie, de belangstelling voor de kracht van taal, met name in het werk van John Austin en John Searle, in het bijzonder over het al dan niet vermeende bijzondere karakter van performatieven (werkwoorden die een werking voltrekken in plaats van iets beschrijven).zevende Derrida en Searle gingen uitvoerig met elkaar in debat. Laurent Binet geeft daar in zijn roman De zevende functie van taal een prachtige uitwerking aan! Daar wil ik nu nog het fijne van gaan weten.

Voor mij is het boekje van Defoort een veel uitdagender introductie in contemporaine taalfilosofie dan het boekje van René van Woudenberg dat ik eerder dit jaar las, Filosofie van taal en tekst, en dat me eerder bevestigde in het (in mijn beleving) steriele karakter van de Angelsaksische taalfilosofie dan dat het me uitdaagde om er de verdienste van te onderschrijven. Wat dat betreft vond ik lezing van Lakoff en Johnson’s boek over de kracht van metaforen (Metaphors we live by) weer wèl betekenisvol. En zo gaan we nog even door….

Het is mijn voornemen om via blogs met als titel Verborgen filosofie in de taal van de adviseur verslag te blijven doen van mijn leeservaringen. Ook ben ik van plan om mooie zinnetjes die ik lees via het twitteraccount @filosofie_in_taal  te verspreiden.

Leessuggesties of andere reacties zijn welkom!

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , | 1 Comment

Wedstrijd, prestatie, omgeving – drie soorten hardlopen?

De hardloopsport heeft zich de laatste decennia flink ontwikkeld. Niet alleen melden zich steeds nieuwe deelnemers, er zijn ook allerlei nieuwe loten aan de stam verschenen. Denk maar aan trailruns, tough mudders, obstacle runs,… Zelf ben ik steeds meer een toeristische hardloper geworden. En dan niet van het type dat tijdens een stedentrip ter plekke met een gids hollend de bezienswaardigheden tot zich neemt, ik ben meer van het verkennen van onbekende bossen en open landschappen.

En zo kon het gebeuren dat, terwijl ik hollend lekker om me heen keek, nadacht over de vraag wat eigenlijk de verschillen zijn tussen drie typen hardlopen: de wedstrijdatletiek, het recreatieve-/prestatielopen en het toeristisch hardlopen.

Recreatief lopen is anders dan wedstrijdlopen. Recreanten lopen vooral voor hun plezier. De meesten hebben geen ambitie hebben om een pure wedstrijdatleet te worden en daarvoor veel te trainen, of missen de aanleg voor het echte wedstrijdlopen. Toch hebben al die recreanten die meedoen aan loopjes als De Dam tot Dam loop of de Zevenheuvelenloop veel gemeen met wedstrijdlopers. Deze recreant is gefocust op: de eindtijd, de verbetering van het persoonlijk record, de ranking ten opzichte van clubgenoten enzovoorts. Anders gezegd, de hele houding van de recreant lijkt wel een kopie van die van de wedstrijdatleet, alleen met andere uitkomsten.

De toeristische loper heeft een ander focus: die is uit op de combi van lekker hardlopen en de omgeving verkennen. Genieten van het lopen en van een mooie wereld waar je door heen loopt. De toeristische loper is niet uit op een bepaalde tijd – maakt daar geen doel van. Toeristisch lopen is ook niet competitief. Toeristisch hardlopen past goed in wat https://www.sportrusten.nl/  ‘vogeltjes kijken’ noemt (daar komt het bij mij inderdaad vaak op neer. Met interessante resultaten.

En zo kwam ik tot het volgende overzicht:

Categorie/ kenmerk Wedstrijdlopen Recreatief hardlopen Toeristisch hardlopen
Trainer nodig? Ja Beter van wel Neen
Schema’s nodig? Ja Handig Neen
Trainingsritme nodig? Ja Beter van wel Beter van wel
PR mogelijk? Ja Ja Neen, of toch?
Prijs winnen? ja Ja Neen, niet aan de orde
Inschrijven nodig? Ja Ja Ja, als je aan een georganiseerde loop deelneemt
Kicken op? Winnen, een pr, een mooie tijd Winnen, een pr, een mooie tijd, lekker gelopen hebben Lekker gelopen hebben, veel gezien hebben
Specifieke attributen mee onderweg? Zo weinig mogelijk mee, want belastend Zo weinig mogelijk, afhankelijk van afstand flesjes water, koolhydraatgelletjes, repen Rugzakje, fototoestel, lekkere proviand
Status in georganiseerde lopen Wedstrijdatleet, licentie KNAU Prestatieloop Interessant parcours?
Specifieke voorbereiding Ja, bijv. tapering off, extra rust, krachttraining, veel aandacht voor voeding Tevoren vroeg naar bed, aandacht voor rust en voeding Verkenning omgeving, parcours via toeristische informatie
Doet tijd ertoe? Ja, in absolute zin Ja, in relatieve zin Neen, hooguit alleen als indicator van het duurvermogen
Share
Posted in Lopen | Tagged , , , | Leave a comment

Als Henri Bergson zou hardlopen. Over tijd en duur.

Er hangt een ontspannen sfeer, daar in de sporthal Elzenhage in Amsterdam-Noord, gelegen naast de atletiekbaan waar de start en finish van De 30 van Amsterdam-Noord zullen plaatsvinden. In het midden van de zaal een aantal tafels met daarop dozen met enveloppen gevuld met startnummers en speldjes. Langs de speelvelden banken waarop lopers zitten om zich om te kleden, om nog wat te eten of elkaar te ontmoeten en bij te kletsen. Ik zie een al in looptenue gestoken moeder met enige snelheid haar kind een potje fruit voeren. ‘Mama heeft haast’, zeg ik en mama knikt.

Om ons heen eenlingen en groepjes lopers. Buiten op het plein een lange rij voor de Dixi’s. Inderdaad, je kunt maar het best met een lege blaas starten. Hier en daar wordt nog wat gegeten, anderen lopen in of doen rek- en strekoefeningen. Velen zullen deze loop hebben gekozen omdat hij goed past in hun voorbereiding op een van de najaarsmarathons. Zelf ben ik in voorbereiding op Dublin, eind oktober, na een periode van ruim drie-en-een-half jaar. Eigenlijk had ik het duurlopen al afgesloten, maar ja, dan komt er een plan om nog een keer met elkaar wat te doen….

In de aanloop naar deze dag ben ik dus enige maanden weer aan het hardlopen geweest, met de teleurstellende ervaring van weinig progressie. Er waren momenten dat ik me afvroeg of een hele marathon nog wel haalbaar is, of ik er niet te veel moeite voor moet doen nu ik 65 ben. De lange duurlopen die ik als trainingsoefeningen deed, waren tot nu toe niet langer dan 21 kilometer en verliepen stuk voor stuk moeizaam. Weinig hoopgevend dus. Maar toen ik deze ochtend opstond, zat ik er opeens anders in: ‘ik heb er zin in!’. En nu dan, in de zaal en op het plein ervoor beleef ik opnieuw die heerlijke spanning voorafgaand aan een lange loop zoals de halve of hele marathon. En o, wat houd ik van deze spanning! Is het de adrenaline? Ik weet het niet en eerlijk gezegd, het interesseert me ook niet want wat weet ik als ik dit weet?

Waar ik inderdaad altijd veel plezier aan beleef is de spanning vooraf, van het ernaar toe leven, het tevoren weten dat het gaat om een lange afstand waarvan niet op voorhand gezegd is dat je die goed zult afleggen. De ongewisheid die daaraan kleeft, beleef ik als een opvallend positieve vorm van onzekerheid, ééntje die niet lam legt maar die stimuleert en je aanzet tot popelen om van start te mogen gaan.  Het hoofd en het lichaam beleven dit op vergelijkbare wijze.

Waar ik ook van houd, is de gemoedelijke sfeer onder de lopers, de inzet van de vele vrijwilligers, de afwezigheid van agressie en geweld. Ik zag ook nog nooit een groep hooligans langs het parcours de boel verzieken. En laten we hopen dat de bomaanslag bij de marathon van Boston tot een, weliswaar triest, incident beperkt blijft.

Een minuut of tien voor de start zoeken we ons plekje. We staan op de atletiekbaan met her en der pacers die naar een bepaalde eindtijd zullen lopen en waar je je als deelnemer bij aan kunt sluiten. Ik heb daar in het verleden verschillende keren gebruik van gemaakt, maar je moet wel goed opletten geblazen: het is belangrijk je eigen loop te blijven lopen anders gaat het echt niet goed en blaas je jezelf op.

En dan is daar opeens, onaangekondigd door de speaker, het startschot. Je ziet deze en gene schrikken. Oeps, daar issie al! De meute komt in beweging, bij het passeren van de registratiematten drukt iedereen ook de eigen stopwatch in. De eenduidige, strikt regelmatig verlopende kloktijd gaat in. Tussendoor, op een tweetal plekken op het parcours van dertig kilometer, zullen wij als lopers geïnformeerd worden over de verlopen seconden, minuten en uren. Het is een service aan al diegenen die hun loop hebben afgestemd op een bepaald doel, een te bereiken eindtijd, misschien een persoonlijk record.

Eerlijk gezegd interesseert die tijd me niet zo erg. Ik ben niet uit op een bepaalde snelheid, vertaald in een geplande duur van de loop, de tijd die ik denk nodig te hebben om van start tot finish te komen. Wel ben ik benieuwd naar een andere ervaring van tijd tijdens het lopen – een ervaring die beter te omschrijven is in termen van ontspannen/niet-ontspannen, of misschien beter: makkelijk/moeizaam. Bij deze tweede omgang met tijd, die ook te benoemen is als ‘beleefde tijd’, vallen tijd en ruimte min of meer samen: als het lekker loopt, beleef je de tijd die je nodig hebt om een kilometer af te leggen als korter dan wanneer het moeizaam gaat. De beleefde tijd is geen homogene tijd opgebouwd uit gelijke delen maar is onderworpen aan de concrete, telkens weer unieke ervaring van de verrichte activiteit, i.c. het hardlopen.

Halverwege de tweede kilometer vraag ik aan twee gezellig babbelende dames die ongeveer hetzelfde tempo lopen als ik, of ik me bij hun conversatie mag aansluiten. Ze vinden het prima en al snel merk ik dat zij elkaar ook niet kennen. Standaardstartvragen in dit soort lopen zijn: op welke marathon bereid jij je voor? Je hoeveelste wordt dat? Het levert een geanimeerde uitwisseling van ervaringen op – tot een kilometer of vier. Dan vallen er stiltes. We zijn even met onszelf bezig, met onze lichamelijke reactie op een half uur onderweg zijn, met de controle over ons lichaam (ga ik dit in dit tempo nog ruim 25 km volhouden?).

Na een kilometer of twaalf heeft een van de dames tempo terug moeten nemen en loop ik verder met de ander. Bij vijftien kilometer constateren we dat we op de helft zijn en dat het best lekker gaat. Ik ben dan aan mijn derde calorieëngelletje toe; ik neem er elke vijf kilometer een – dat beviel me de laatste marathon, drie-en-een-half jaar geleden, ook goed en dat zal nu opnieuw het geval zijn.

Zoals al gezegd, in mijn voorbereiding tot nu toe heb ik geen grotere afstanden dan een halve marathon gelopen; 21 km dus. Daarom ben ik benieuwd naar hoe het vanaf dat punt zal gaan. Nou, prima dus – ik blijf ontspannen lopen en heb het gevoel dat van een verval in snelheid per kilometer geen sprake is. Sterker, een aantal keren valt me op dat er al weer een kilometer is afgelegd. Nu al weer? Ja, dus. De beleefde tijd, de tijd die ervaren wordt tijdens het verrichten van de inspanning, levert een heel ander beeld op dan die van de in ijzeren regelmatig wegtikkende seconden in minuten en van minuten in kwartieren en zo verder, de tijd van de tijdwaarneming en van mijn stopwatch. De beleefde tijd is die van het genieten van het prachtige polderlandschap, van de wisselende omgang met de straffe wind, van het voortkabbelende en soms stilliggende gesprek, van het wegslikken van weer een gelletje, van herinneringen aan eerdere marathons en hoe ik daar omging met het vierde en laatste kwart van de afstand, van checken of je bij de eerstvolgende drankpost wel of niet zult drinken, van zoeken naar weidevogels in het hoge gras, van vooruitkijken en zien dat het veld van lopers al enige tijd gespreid is over een afstand van vele kilometers.

Rond de 24 km wisselen we uit hoe we dat doen: de afstand die nog afgelegd moet worden, overzichtelijk maken. We hebben daarvoor hetzelfde trucje: visualiseren. Zij heeft in haar trainingen een vast rondje van 3,5 kilometer, ik een van 6,5 km. Als het moeilijk wordt bij lange duurlopen doen we hetzelfde: we vergelijken de nog af te leggen afstand op een onbekend parcours met dezelfde afstand op een bekend parcours en ontlenen daar vervolgens vertrouwen aan. De nog af te leggen afstand brengen we in beeld met een eerder beleefde afstand. En lees voor afstand gerust: tijd. Het maakt geen verschil.

De in zijn tijd (eerste helft 20ste eeuw) wereldberoemde Franse filosoof  en Nobelprijswinnaar Henri Bergson schreef op imponerende wijze over ‘tijd’ en maakte onderscheid tussen de regelmatige kloktijd en de geleefde tijd die hij durée (duur) noemde. De kloktijd bepaalt veel in ons leven: de duur van ons werk, het ritme van onze dagen, het spoorboekje, de tijdschema’s op scholen en sportscholen en ga zo399px-Henri_Bergson_02 maar door. Het is de tijd waarmee we in de wetenschap en daarbuiten meten, tot onze leeftijd toe (‘ik ben 65 jaar’). Het is de tijd van de stopwatch, van tikjes na elkaar, van regelmatige puntjes (nu-nu-nu-nu-nu) op een rechte, eindeloze streep. Daarnaast is er de geleefde tijd, de tijd van de concrete ervaring, de tijd die we, omdat we helemaal opgaan in een activiteit ‘even helemaal kwijt zijn’. Het is de tijd waarin verleden, heden en toekomst bij elkaar komen. Waarin er meer is dan het simpele en eenduidige nu omdat ik in de ervaring van het nu het verleden een plek geef. Het is de tijd die intens kan zijn maar ook eindeloos uitgerekt, alsof er geen eind aan komt.

Het zou me niet verbazen als Henri Bergson, wanneer hij mee zou doen aan deze 30 van Amsterdam-Noord, dezelfde ervaring zou hebben: dat er sprake is van twee soorten tijd, de harde tijd van de wedstrijdklok die hem bij de finish tot op de seconde nauwkeurig zal vertellen hoelang hij erover heeft gedaan en de beleefde tijd van het lopen. (Waar Bergson spreekt van ‘geleefde tijd’ spreek ik liever van ‘beleefde tijd’ ook al is er denk ik geen verschil). De harde, chronologische tijd van de tijdwaarneming en stopwatch levert je achteraf een goede indicatie van je objectieve prestatie. Deze objectieve tijd stelt je in staat om je te vergelijken met anderen en met jezelf in eerdere lopen. Het is de tijd die ranglijsten mogelijk maakt en prijsuitreikingen. Prijzen horen bij deze omgang met de tijd, bij de kloktijd dus. Ik ken geen prijzen voor de omgang met die andere omgang met de tijd: prijzen voor lopers met de meest intens beleefde tijd. Die blijft een individuele ervaring die zich niet laat vergelijken of uitdrukken in objectieve criteria. Gelukkig maar.

Na 3 uur en 7 minuten passeer ik de finish. Ik voel me fit en ben juist daarover meer dan tevreden. Ik heb ontspannen gelopen, ik heb de afstand kunnen afleggen op een manier waarop er volop ruimte was voor genieten van de omgeving, genieten van de beweging van het lopen, van de sfeer en de spanning, genieten van het gesprek en het contact. Ik hoorde bij het naderen van de finish de speaker onze namen noemen. Ze heet dus Esther. Ik geef haar een hand, bedank haar voor de gezellige loop en wens haar veel succes in haar marathon in Parijs.

Op de terugweg geniet ik na van het plezier tijdens het lopen. De motivatie is weer helemaal terug!

 

Share
Posted in Lopen | Tagged , , , | 1 Comment

Filosofie van de marathon

Toen ik vorige week in de sauna zat, herinnerde ik me een idee voor een ‘project’ dat ik jaren geleden al eens overwoog maar omwille van de tijd die het vraagt, niet in uitvoering kon nemen: het schrijven van een (beknopte) ‘filosofie van de marathon’. En op dit moment zijn de omstandigheden juist uiterst gunstig: ik ben met pensioen en heb dus tijd én ik ben in voorbereiding op een marathon.

Wat het pensioen betreft en de plannen die ik heb, daar heb ik onlangs al een blog aan gewijd. Wat de marathon betreft, tja wat zal ik daarover zeggen? Eerst even terug naar het ‘project’.

Laat ik beginnen met toe te lichten wat ik bedoel met een ‘filosofie van de marathon’. Ik doel dan op een filosofische reflectie op allerlei aspecten die met het lopen van een marathon te maken hebben. Op de groslijst van onderwerpen die ik aan het aanleggen ben, staan thema’s als:

  • lichaam en geest: werken ze samen of is het lichaam alleen de motor die tijdens het lopen van voldoende brandstof moet worden voorzien?
  • prestatie of plezier (fungeert topsport als model voor de recreatieve beoefening van de duursport zodat het ook daar uiteindelijk gaat om de persoonlijke prestatie in termen van een PR (persoonlijk record)? Of is er ruimte voor duursport waarin het plezier centraal staat, zoals ik dat graag opvat en presenteer als ‘toeristisch hardlopen’?
  • jij en je omgeving: de duurloop als middel om je omgeving te verkennen; ben je alleen met je beweging bezig of heb je oog voor je omgeving en zie je opvallende vogels, planten, of, zoals eergisteren: een rivierkreeftje op het fietspad?);
  • samen en alleen: ontwikkelen doe je samen; hoewel je je duurloop op je eigen benen loopt, ontwikkel je je vaak het best door dat samen met anderen te doen;
  • cruciale deugden als doorzettingsvermogen en maathouden;
  • de rol van emoties: het merendeel der marathon-debutanten passeert geëmotioneerd de kreeft1finish. Wat speelt hier?

Ik hoop hiermee filosofen een beeld te geven van hoe zo’n stevige fysieke inspanning filosofisch geduid kan worden. Ik geloof niet dat er zo heel veel marathonlopers onder filosofen zijn, dus mogelijk voorzie ik in een lacune in kennis hierover én verrijkt het bestaande inzichten. Natuurlijk, er zijn enkele bekende namen zoals Mark Rowlands (Filosofie van de duurloop) en Damon Young (Filosoferen over beweging en sport), maar veel zijn het er niet. Ik denk dat de reële ervaring van het lopen van een marathon (inclusief de voorbereiding natuurlijk) iets toevoegt aan interessante filosofische thema’s. Als voorbeeld las ik een aardige filosofische column van Thijs Feuth  die in 2010 de marathon van Rotterdam uitstapte, op het thema ‘verliezen’. Interessant ook de reacties die hierop verschenen. Zeer illustratief voor de verwarring rond intenties van duurlopers/ marathonlopers.

Omgekeerd, marathonlopers (of meer in het algemeen: duurlopers) raken mogelijk geïnteresseerd in filosofie: op een vrije manier de conventionele paden van denken verlaten en je laten verrassen door de inzichten van de reuzen uit de filosofische geschiedenis. Want dat is kenmerkend voor filosofie: die begint steeds opnieuw en staan tegelijk altijd op de schouders van de groten uit het verleden.

Kortom, met een beetje goede wil snijdt het mes naar twee kanten.

Even terug naar de sauna: ik ervaar elke keer als ik er ben dat het verblijf in de hitte van de saunacabine eenzelfde soort effect heeft als het volbrengen van een duurloop: de fysieke inspanning leidt tot het opruimen van je hoofd en tot het scheppen van een ruimte waarin nieuwe ideeën ontstaan.  Wat er precies gebeurt, weet ik niet – neurobiologen zullen ongetwijfeld wijzen op het vervaardigen van bepaalde stofjes als gevolg van de inspanning, maar die stofjes verklaren nog niet het ontstaan van nieuwe en creatieve ideeën als zodanig want stofjes bevatten zelf die ideeën immers niet. Misschien hebben duurlopers wel een verstandige boodschap voor onderzoekers op het gebied van ‘hoe werkt ons brein?’

En ja, dan die marathon. Tien jaar geleden deden we met een groepje mee aan de marathon van Athene. Het waren voornamelijk debutanten en het was een hele leuke ervaring. Daarna zijn we nog dublinnaar Berlijn geweest, naar Stockholm (29 graden bij de start) en naar Barcelona. Mijn laatste marathon is de Midwintermarathon 2014. Ik hield het na 31 marathons voor gezien. Maar toen kwam het idee om, na tien jaar, nog een keer samen op pad te gaan. ‘De cirkel rond maken’ heette het. Het gaat Dublin worden, op 29 oktober a.s.

Hoewel ik zo’n beetje gestopt was met hardlopen om me vooral in de sportschool uit te leven in allerlei lesjes, leek het me niet leuk om als alleen supporter mee te gaan. Dus heb ik het trainen weer opgepakt. Ik moet zeggen, het gaat niet vanzelf. Ik ben nu een paar maanden bezig en ik merk dat de vooruitgang maar heel traag verloopt. Oké, dit gaat dus ook een thema voor een filosofische beschouwing worden: ouder worden en de beleving van sport.

En wie suggesties heeft: ik houd me aanbevolen!

 

Share
Posted in Lopen | Tagged , , | Leave a comment

Leven in de tussentijd

‘Leven in de tussentijd’ – het zou de titel kunnen zijn van een stevige cultuurfilosofische doordenking van onze tijd – een analyse van de eerste twee decennia van de 21ste eeuw waarin zo ontzettend veel is veranderd en door verandert en dat zonder afgeronde en breed geaccepteerde beelden over de toekomst waarnaar we met elkaar op weg zijn. Een heldere toekomst ligt verder weg dan ooit, zou je zeggen maar dat lijkt me overdreven.

Toekomst is altijd onvoorspelbaar geweest en voldeed ook in de praktijk zelden aan parmantige toekomstscenario’s. Wat dat betreft is er niet zozeer een verschil tussen perioden als het gaat om de voorspelbaarheid van toekomst (die toch ongewis is) als wel in (noem het) het geestelijk klimaat. Ik denk daarbij aan de samenbindende kracht van dominante, gedeelde waarden als vertrouwen, solidariteit, hoop, vooruitgangsgeloof,… Toen mijn ouders jonger waren dan ik nu, hoorde ik mijn vader vaak zeggen dat ‘de regering het niet gemakkelijk heeft’. Hij doelde niet zozeer op WIJ-LAURA-VAN-DOLRON-618x800partijpolitieke verschillen als wel op de onzekerheid die eigen is aan belangrijke beslissingen over gewenste toekomsten. Zoals Machiavelli al schreef: mensen die iets willen veranderen hebben te maken met twee soorten tegenstand. Tegenstand van hen die menen dat ze iets te verliezen hebben in de nieuwe situatie en tegenstand van hen die pas in het nieuwe geloven als het er is. Neemt niet weg dat mijn ouders zich inzetten voor een toekomst waarin het voor ons als hun kinderen beter zou zijn dan voor hen. Zij geloofden in het belang van goed en langdurig onderwijs en hadden daar veel voor over. Dat soort toekomstverwachtingen bedoel ik – daar merk ik tegenwoordig veel minder van en dan denk ik niet aan vluchtelingen…. Onlangs las ik Wij van de stand-up filosofe Laura van Dolron die hier trefzekere opmerkingen over maakt.

Twee vormen van discipline

Neen, mijn betekenisgeving aan ‘leven in de tussentijd’ is veel bescheidener en particulier. Zo noem ik namelijk de periode waarin ik op dit moment leef. Een periode van drie maanden die valt tussen de datum van mijn pensionering als adviseur bij B&T en het begin van een nieuw leven, dat van promovendus in spé. Dat laatste klinkt wat tautologisch en leg ik straks uit. Een overgangsperiode waarin ik, zo bedacht ik me, een wisseling aanbreng in de discipline Disciplinevoorkant_juni_2014die mij leidt. Door het boek van filosofe Marli Huijer over discipline heb ik geleerd dat er aan discipline niet alleen ergerniswekkende kantjes zitten maar ook nuttige. Ik doel nu dus op de (in mijn beeld) nuttige dimensies van discipline.

In de overgangsperiode van een maand of drie neem ik afscheid van een heel gestructureerd en doelgericht leven dat heel veel extern aangedreven discipline kende. Ik denk aan het verschil tussen werkdagen en weekenden (ik probeerde dat verschil er echt in te houden, in tegenstelling tot wat ik meende een groot aantal collega’s te zien doen), aan de opdrachten van bestuurders en toezichthouders in het onderwijs, aan studiedagen en bureaudagen met collega’s onderling, aan de wekelijkse opdracht om ‘uren te schrijven’, aan de verplichte projectevaluaties, aan het jaarlijks gesprek over de prestaties in het achterliggende jaar, dat soort disciplinerende situaties dus. Allemaal voorbeelden waarvan inmiddels een paar decennia terug filosoof Hans Achterhuis in De markt van welzijn en geluk de achtergrond schetste. De beste houding om met deze situaties om te gaan vond ik die van het accepteren en het zelf initiatief nemen in de dingen die voor jou en mogelijk voor anderen van belang zijn. Voor het jaarlijkse beoordelingsgesprek met mijn leidinggevende maakte ik zelf een agenda. En meer in het algemeen volgde ik het devies: geef de regie over je arbeidzame bestaan niet uit handen maar houd die aan jezelf.

Ik waardeer de grote vrijheden die ik eigenlijk mijn hele loopbaan heb gekregen. Vrijheden om mezelf te ontwikkelen, om te ontdekken waar ik goed in ben, om mijn eigen sterkten in te mogen zetten. Ik ben daar mijn leidinggevenden zeer erkentelijk voor.  Ik heb weinig last gehad van ‘dwarsbomen van mijn professionele autonomie’ door allerlei administratieve gedoetjes. O ja, soms was er reden om daar moeilijk over te doen, maar waarom zou je. Tel je zegeningen en zeur niet zo.

Deze vorm van externe disciplinering laat ik dus achter me nu ik me voorbereid op een leven dat op een andere manier gestructureerd zal zijn: niet op basis van externe disciplinering maar op basis van zelfdiscipline. Zoals ik hier en daar al meldde heb ik het plan opgevat om nog een keer te promoveren, nu in de filosofie. Dat zou voor mij het ultieme zijn van wat ik zie als mijn mogelijkheden. Ik heb geen idee of het gaat lukken maar ik heb wel heel veel zin om daar een serieuze start mee te maken en te zien hoever ik kom. Ik kom hier straks op terug.

Leven in de tussentijd als reële ervaring

Ik wist van tevoren niet dat ‘leven in de tussentijd’ bestond en te ervaren was. Nu ik een maandje gaande ben, constateer ik het bestaan ervan en doe ik een poging te verwoorden hoe dat er uitziet.

Vooralsnog (?) is ‘leven in de tussentijd’ leven in een aangename leegte. Dat lijkt een tegenspraak misschien: een leegte die aangenaam is, maar is het voor mij niet. De leegte manifesteert zich in de ervaring dat er geen moeten is, niets hoeft, alles wat ik doe of wil doen, doe ik op mijn eigen tijd, zonder enige externe druk. Het moeten vervangen door het willen.

De leegte autosleutelsontstond eerst nadat ik eind juli op kantoor mijn laptop, mijn telefoon, autosleutels en toegangspasje inleverde en daar de deur achter me dicht trok. Weg e-mailaccount, weg groepsapp, weg collega’s, einde telefonische overlegjes. Een paar dagen heerste het gevoel van losgekoppeld te zijn en dat was ook zo. Ik was niet langer verbonden – letterlijk en figuurlijk. Duidelijker kon de boodschap niet zijn.

Daarna was er toch ook het afvallen van een zekere druk: de druk om de vakliteratuur bij te houden, nieuwtjes uit het werkveld te verwerken, namen van personen te onthouden, to do lijstjes maken, linkjes naar artikelen op te slaan – dat hoeft allemaal niet meer.

We zijn, zoals elk jaar, voor de hele maand augustus op onze vakantiewoning in Flevoland, kregen kleinkinderen te logeren en deden zo nog het een en ander. Medio de maand gingen we voor een weekend naar ons vaste retraiteadres, het Clarissenklooster in Megen. Op weg daarnaar toe constateerde ik dat ik nog niet eerder zo mentaal leeg die kant op ging. Altijd was er wel iets dat me bezighield en me aanzette tot het schenken van gerichte aandacht. En nu was er niets, helemaal niets. Een leeg hoofd. Het stelde me in staat om het boek Heilige onrust van Frits de Lange te lezen en daarop te reflecteren (zie blog). De Clarissengemeenschap is ons vertrouwd en biedt een heerlijke achtergrond voor studie en reflectie. Want dat is wat ik altijd doe als ik in het klooster ben. Naast het bijwonen en meebeleven van alle diensten (vijf op een dag) lees ik in meditatieve boeken en denk ik derksena en schrijf ik voor mezelf over passages die tot nadenken stemmen. Ik begrijp wel wat Wil Derkse in Een levensregel voor beginners zegt over de grote productie van veel Benedictijner (en ook andere) monniken: de structuur van de kloosterdagen in combinatie met mono-tasking (in tegenstelling tot multitasking) maken het mogelijk om je heel geconcentreerd aan je taak te wijden.

Het weekend erna zag er heel anders uit, heel tegengesteld zelfs. Het was het weekend van Lowlands, dit keer de 25ste editie, voor ons de veertiende (?). Omdat onze vakantiewoning schuin tegenover het Lowlands terrein ligt, is onze tuin een geliefde kampeerplek voor kinderen, neven en hun vrienden. Het levert een gezellig en levendig tafereel op. Dit jaar stonden er zes tentjes terwijl we binnensmuurs met zijn vieren waren; ook onze kampeerbus voorzag in twee slaapplekken. Lowlands, elk jaar weer een heerlijk festival. Interessant is dat de organisator ervan, Mojo, bewust bezig is om de programmering mee te laten evolueren met de muziekontwikkeling in Nederland in het algemeen die weer interfereert met de culturele diversiteit. Ik denk aan de toename van hiphop. Het publiek dat er is, reageert daar enthousiast op, maar of er nu ook ander publiek mee wordt aangetrokken? Ik weet het niet. Lowlands is nog een wit festival.

September zal een maand worden met van alles en nog wat: drie dagen naar kasteel Slangenburg (afscheidsgeschenk B&T), klussen, familiefeestjes,… Oktober wordt een maand waarin we er met de kampeerbus op uit hopen te gaan. We sluiten af met een weekend Dublin met het doel daar de marathon te lopen. Ik kom daar in een later blog graag nog op terug. Daarna begint de nieuwe periode.

Verborgen filosofie in de taal van de adviseur

Vele jaren adviseerde ik school- en algemeen directeuren, schoolbesturen en later ook toezichthouders over allerlei bestuurlijke zaken waaronder governance (‘goed bestuur’) en onderwijskwaliteit. Het bestuurlijke domein kent een reeks van woorden en begrippen die voor de gebruikers ervan wel duidelijk lijken maar die dat bij nader inzien veel minder zijn. Ik denk hierbij niet alleen aan allerlei vakjargon en juridische begrippen maar ook en vooral aan in taal weergegeven omslag-governance-1602.inddbeelden van de werkelijkheid. Denk aan beleidsplannen, liefst ‘strategisch’: ze gaan over een op papier gecreëerde, nog in de praktijk te realiseren werkelijkheid. Anders gezegd: de boogde werkelijkheid bestaat op dat moment alleen in taal (i.c. het beleidsplan) terwijl die taal zelf vaak weer in hoge mate metaforisch van aard is: het strategisch beleidsplan als een roadmap, als een spoorboekje, een verbeelding, een wenkend perspectief, een stip op de horizon (en dan moet je enthousiast worden voor iets wat je nooit gaat bereiken?),….. Het fascineert me dat taal dus werkelijkheid bedoelt te creëren die er nog niet is (vandaar ‘creëren’) en iedereen in beweging kan zetten. Bovendien, die beoogde werkelijkheid zal er altijd anders uit zien dan wie dan ook had bedacht bij het schrijven van het perspectief, om de simpele reden dat de woorden in hun metaforische werking bedoeld zijn te verwijzen naar iets wat zich nog niet in eigen woorden zeggen laat. Dit klinkt cryptisch maar is precies waar het me in filosofisch opzicht om te doen is.

Wat voor taal gebruikt de adviseur? Ik weet het uit eigen ervaring: metaforen, tegenstellingen, hyperbolen, parabolen, ‘van – naar’- simulaties, scenario’s, toekomstverkenningen (het woord is zelf 399px-Immanuel_Kant_(portrait)al een mooie combinatie van tijd en ruimte en dan moet ik onmiddellijk denken aan de Anschauungsformen uit de Kritik der reinen Vernunft (1781) van Immanuel Kant.) Veel retorische instrumenten dus (‘instrumenten’ – ook al een metafoor) die in het advieswerk verder beogen te reiken dan simpel stijlmiddel = opsmuk te zijn.

Ik realiseer me goed dat wat ik hier aangeef als de taal van de adviseur grote overeenkomsten heeft met de taal van de politicus of de theoloog en als dat zo is dan verdient dat mijn aandacht. Maar vooralsnog wil ik me concentreren op de verborgen filosofie in de taal van de adviseur. Al die taalmiddelen die ik noemde, worden in adviessituaties bedoeld om een nieuwe werkelijkheid te ontsluiten en interessant is voor mij: om wat voor werkelijkheid gaat het dan? En wie kan die vraag beantwoorden? Is het een vraag aan de ontologie, is het een vraag aan de taalfilosofie of is het een vraag aan de filosofische antropologie?  Ik vind dit heel fascinerende vragen en ik ben erg benieuwd welke antwoorden daar vanuit de filosofie op te geven zijn.

In mijn eerste verkenningen zie ik al grote verschillen. De continentale filosofie met namen als Derrida, Lacan en Ricoeur benadert dit soort vragen heel anders dan de Angelsaksische. Ik las lakoffonlangs de bekende studie van Lakoff en Johnson, Metafors we live by en die benaderen metaforen zó anders dan de eerdergenoemde namen. Eerlijk gezegd, ik heb niet zoveel met de Angelsaksische benadering, ik vind die steriel – maar dat is geen filosofisch argument…..

Vanaf november wil ik me systematisch met dit soort vragen bezighouden (al ben ik al begonnen met lezen). De winter en het voorjaar wil ik gebruiken om me breed in te lezen en een goede onderzoeksvraag te formuleren. Tegen de volgende zomer hoop ik een hoogleraar te interesseren die me zou willen begeleiden richting een promotie. Daarna begint het echte werk zou je kunnen zeggen, maar ik zie dat anders. Dat start voor mij in november. Ik zie ernaar uit en houd jullie graag via deze site op de hoogte.

Share
Posted in Reflecties | Tagged , , , , , , | 4 Comments

Overdenkingen bij Heilige onrust. Een pelgrimage naar het hart van religie.

Afgelopen weekend las ik het laatste boek van filosoof en theoloog Frits de Lange getiteld Heilige onrust. Een pelgrimage naar het hart van religie – een mooi geschreven en grondige analyse van de mogelijkheid van geloofsbeleving in onze geseculariseerde tijd – een tijd die ook door traditioneel gelovigen steeds meer beleefd wordt zonder het uitzicht op een hiernamaals en ook zonder een functioneel bezielend verband in het hiernumaals.

Aan de hand van de metafoor van de pelgrimage maakt De Lange op een aantrekkelijke wijze zichtbaar wat er met ons Godsbeeld is gebeurd en gaat hij in op de vraag wat er overblijft als we alles auteurachterlaten en de rauwe afwezigheid van een godsdienstige erfenis tot ons door laten dringen.

De metafoor van de pelgrimage is een aantrekkelijke keuze gezien de populariteit ervan, ook in kringen van ongelovigen. Tot jezelf komen, leeg worden, …. Er zijn allerlei motieven voor. De moderne pelgrim is het niet te doen om de bestemming, zoals vroeger de aanbidding van relikwieën dat was opdat… De reis zelf is doel geworden en het zelf is het object van dat doel. Het bereiken van de bestemming eindigt voor menigeen in een teleurstellende apotheose en is veeleer het einde van het verlangen. Zo wordt de pelgrimage tot metafoor van het leven zelf en van de relatie van de mens tot God: hem of haar wacht geen paradijs of iets van dien aard maar gaat het om het leven zelf.

Dat laatste gaat dan weer niet vanzelf. Mooi is hoe De Lange schetst dat het persoonlijke leven steeds meer en vaker wordt benaderd als een project dat moet worden gemonitord in plaats van als een traject dat wordt afgelegd met tal van onvoorziene omstandigheden.  Illustratief is het verschil 330px-Francesco_Bassano_-_Abraham_vertrekt_uit_Harantussen de aartsvader Abraham als geroepene om weg te trekken uit de vertrouwde omgeving om nooit meer terug te keren enerzijds en Odysseus anderzijds die na 20 jaar weer thuiskomt en de boel weer overneemt. Het is het verschil tussen gehoor geven aan een innerlijke drang, aan een gevoel van gedreven zijn tegenover het planmatige, rationele handelen in termen van doelen en middelen en zonder psychologische ontwikkeling.

We kunnen volgens De Lange veel leren van het verschil tussen Joods denken over tijd en over het leven ‘vooruit leven’ aan de ene kant en het toch nog zo in het Christendom dominante Griekse denken in termen van boven en onder. Wie, zoals de Jood, vooruit leeft, leeft vanuit de verwachting dat het morgen beter kan zijn. In dit beeld is de mens steeds onderweg.

De moderne pelgrim heeft tijdens zijn tocht geen grote metafysische of religieuze visioenen; de netto-opbrengst reikt vaak niet verder dan wat persoonlijke leermomentjes die vooral van belang zijn voor boekde omgeving. Hier ligt opnieuw een parallel met de religie.

De uiteindelijke conclusie van De Lange is een godsdienst die het kan stellen zonder God en die er vooral in bestaat het leven te beamen en de uitnodiging te genieten van al die momenten waarin het leven de moeite waard was om geleefd te worden: de ervaring van momenten van intensivering van het leven – de Nederlandse filosofe Joke Hermsen zou zeggen: de beleving van de spaarzame ‘Kairos-momenten’. De Lange vat deze momenten op als manifestaties van ‘het eeuwige leven’ in het hier en nu. Hij voegt er nog iets aan toe: voor die ervaring van het leven, voor die geïntensiveerde momenten hebben we niet veel nodig en moeten we vooral dicht bij onszelf blijven en onszelf van alle opsmuk en grootmakerij ontdoen. Juist dan staan we optimaal open voor de volheid van het leven.

De Lange is een doorgewinterd theoloog en filosoof. Het verwondert dan ook niet dat hij in zijn aantrekkelijke en diepgaande analyses uit beide ruiven eet en niet alleen dat. Hij consumeert ook reisverslagen van pelgrims (Rufin, Vuijsje) die hij beschouwt als reisgenoten voor zichzelf. Boeiend is ook de passage waarin hij het werk van de Indiase filosoof Jarava Lal Mehta bespreekt die het canonieke werk van Hans-Georg Gadamer over hermeneutiek onder fundamentele kritiek stelt namelijk als exponent van typisch ‘Westerse heldhaftigheid’. Leerzaam!

Tot zover een eerste korte weergave van de strekking van dit intrigerende boek dat tot nadenken aanzet. Bij mij gebeurde dat in elk geval wel en het leverde een reeks reflecties op die ik graag met je deel. Het zijn persoonlijke reflecties waarin ik ook mijn eigen ervaringen verwerk. Bij die reflecties verwerk ik ook inhoudselementen uit het boek die in het voorgaande nog niet aan de orde kwamen.

Reflecties

1. De Lange rekent af met geloof als overgave aan een God die voor je zorgt, als een God die de gaten in ons menselijk tekort opvult. Hij vindt dat een zwaktebod van de mens die het vollKierkegaarde leven en de verantwoordelijkheid daarvoor, liever ontwijkt, er de moed niet voor heeft. Dat kan ik begrijpen maar waarin is dit gevoel van behoefte aan geborgenheid (en vaak ook aan aanvaarding) dan gefundeerd? Is het echt existentiële angst of is het ook (mét Abraham) antwoord geven op een vraag, met andere woorden de respons op de ervaring geroepen te zijn? Met nog andere woorden, komt de vraag strikt van binnenuit of is er toch ook de ervaring van een gene zijde vanwaar de roep klinkt? En als er de ervaring is van meer, is dat dan een ongeoorloofde ervaring, of een valse, een vorm van zelfbedrog? (Ik zou bij Kierkegaard kunnen kijken of deze reflectie te verdiepen is – iets voor een later moment.)

2. Hetzelfde maar dan anders. Gisteren sprak ik een 88-jarige non over ‘de toestand in de kloosters in deze tijd’. Kloosters hebben het moeilijk. De exploitatiekosten zijn hoog, traditionele inkomstenbronnen komen droog te staan en de aanwas van jong bloed is beperkt. Dat zou tot somberheid kunnen stemmen maar niet bij haar. Ze gaf aan dat ze vol vertrouwen is. ‘We zijn een oude orde, een taaie en hebben vaker mindere tijden gekend en zijn daar steeds weer bovenop gekomen.’ Ik vond haar opmerking typerend voor het diepe vertrouwen in de voorzienigheid van God die ik als protestant benijdenswaardig vind aan de katholieke traditie. Ik ervaar dit vertrouwen als meer, als groter en dieper dan de simpele behoefte aan de gatenvuller die de mens nodig zou hebben.

3. Een heel andere reflectie. Bij dit soort boeken over ‘de moderne mens’, over de traditionele gelovige die de weg kwijt is of die het gevoel heeft met lege handen te staan – ik heb er allemaal beelden bij en herken me er ook in, maar vraag me tegelijkertijd af aan wie ik dan moet denken. Op wie heeft de analyse betrekking? Op ‘de intellectuelen’ onder de gelovigen, de mensen die doorgeleerd hebben en bekend zijn met de door De Lange genoemde denkers als Bonhoeffer, Nietzsche, Derrida,…? Op de culturele (vleiend zelfbenoemd als ‘boven’-) laag die dit soort studies leest? Gaat het impliciet over de protestantse generatie van mijn leeftijd waartoe ook De Lange behoort? Of is de analyse generieker bedoeld, betrekking hebbend op alle mensen van dit moment, jong en oud? Anders gezegd: hoe moet ik dit zien als ik denk aan de bekende studie van Motivaction over bijvoorbeeld Mentality-milieus. Vanuit de sociologie zijn er qua levensoriëntaties nogal verschillen …… Kun je daar als filosoof omheen?

4. De Lange maakt een interessant (en naar ik begrijp wat ongebruikelijk) onderscheid tussen geloof en religie waarbij de laatste staat voor de culturele aanwas van rituelen en gewoonten, samengevat als de institutionele kant van geloof. Religie is ‘een construct van praktijken, voorstellingen en geloofsuitspraken waarmee in de moderne cultuur aan geloof collectief gestalte is gegeven.’ Als je dat alles afpelt, houd je geloof over. ‘Wie gelooft, heeft iets van overstijgend, waarachtig leven ervaren en geeft zich aan die ervaring gewonnen.’ (pag. 23). Ik begrijp dit verschil maar heb tegelijk het gevoel dat De Lange tekort doet aan het belang van rituelen. Zijn het immers niet de rituelen die rond geïntensiveerde momenten als geboorte en dood dragers zijn van waarachtig leven? Reiken rituelen ‘de taal en tekens’ aan om überhaupt de momenten van geïntensiveerd leven te ervaren en te benoemen waardoor ze als het ware het noodzakelijk substraat vormen van die ervaringen, om niet te zeggen: de mogelijkheidsvoorwaarde?

clarissenIk schrijf deze bespreking tijdens een retraite in het Clarissenklooster in Megen en ervaar aan den lijve, zoals altijd tijdens mijn verblijf hier, hoe belangrijk rituelen rond eucharistie maar ook in de dagdagelijkse dingen zoals maaltijden zijn. En zijn ook de nieuw ontwikkelde collectieve seculiere rituelen zoals bij de terugkeer van de slachtoffers van de MH17 ramp niet te omschrijven als ‘geloof’? Sterker nog, zouden die niet religieuze rituelen niet ook tot nadenken kunnen stemmen over dat wat groter is dan de mens?

5. Onlangs las ik ook het boek van Edward O. Wilson, Het raadsel van het menselijk bestaan. Hoewel vanuit een heel andere invalshoek zijn er interessante raakvlakken tussen beide boeken. De uitgangspositie is volstrekt verschillend. De Lange is filosoof en theoloog, Wilson is bioloog maar beiden zijn bezig met de vraag of wij in deze tijd nog wel zoiets als God nodig hebben (deze vraag 399px-Plos_wilsontypen heeft voor mij, zo merk ik al doende, al iets blasfemisch). Wilson is er op uit om de zo gescheiden opererende werelden van de natuurwetenschappen en die van de geesteswetenschappen weer bij elkaar te brengen met het oog op één samenhangende visie op de evolutie en daarmee op het raadsel van de mens. Ik las er veel interessante dingen in maar blijf wel met de conclusie achter dat Wilson de mens toch allereerst als materie ziet en als een toevalstreffer op een laat moment in de evolutie. Met God of met een Schepper heeft dat alles niets van doen. De mens heeft uiteindelijk niet meer nodig dan de verklaring dat zijn ontstaan berust op toeval. Meer ook niet. Voor mijn gevoel gaat Wilson daarmee voorbij aan veel raadselzaken die De Lange juist intrigeren en waarvoor de biologie de oplossing niet levert: de drang tot leven. Laat die drang zich biologisch afdoende verklaren?

6. De Lange en ik zijn ongeveer even oud en delen dezelfde protestantse achtergrond. Ik herken veel in het beeld dat hij schetst van de laatste pakweg 60 jaar, de tijd waarin wij opgroeiden en leven. En bedenk me dat onze beelden over God en geloof al weer anders zijn dan die van de generatie na ons, van onze kinderen. Hun wereld ziet er anders uit dan de onze ook al leven we tegelijkertijd en in dezelfde omgeving. Fascinerend, die synchrone ongelijkheid! Een filosofisch interessant thema, ook als het om religie gaat.

7. Pelgrimeren mag dan ingegeven zijn door doelen als (vroeger) ‘God ontmoeten’ en (nu) ‘mezelf leren kennen’ – naast dit ‘geestelijke’ of spirituele motief is pelgrimeren allereerst ook een lichamelijke activiteit. Je doet het met je voeten en zeker als je 1000 km aflegt en maanden onderweg bent, verlies je een paar kilo lichaamsgewicht en krijg je daar allerlei lichamelijk ongemak zoals blaren voor terug. Dat die ongemakken veel aandacht opeisen van de pelgrim is dan ook niet verwonderlijk en verre van banaal. Pelgrimeren voltrekt zich in de volharding en drang om voet voor voet te blijven zetten en wordt daarmee een mooi beeld voor het leven zelf. De Lange wijst op het tegendeel, op de last van depressiviteit waarin de moeite er vooral in bestaat die stappen wel te blijven zetten en elke dag opnieuw uit bed te komen, om het leven weer aan te gaan. Pelgrimeren is dus voet voor voet zetten en ervaren dat er iets is dat dat mogelijk maakt. Pelgrimeren is een sterk fysieke ervaring. Grappig vind ik het dan om te lezen dat De Lange van zichzelf zegt helemaal geen wandelaar te zijn en er ook geen ervaring mee te hebben. De pelgrimage is voor hem interessant als metafoor voor de tocht naar binnen, naar de kern van de religie. Toen ik dit aan het begin van het boek las en dus vaststelde dat de intellectuele pelgrimage niet vergezeld ging van of voorafgegaan was door een fysieke pelgrimage moest ik, heel flauw geef ik toe, denken aan een Tv-interview met bioloog Midas Midas_Dekkers_2Dekkers en een jonge kampioene in een vechtsport (haar naam ben ik kwijt en het fragment is op YouTube niet terug te vinden). Dekkers mocht in dit gesprek zijn afkeer van sport ventileren maar kreeg mooi tegenspel van de kampioene die hem wist te verleiden tot de bekentenis dat hij geen ervaring had met zweet op gezicht en rug als gevolg van een sportieve inspanning. Voor de kampioene een onbegrijpelijke situatie, voor mij als kijker leidend tot de conclusie ’waar praat je over als je zelf niet de minste ervaring hebt met je onderwerp?!’ (Met dit jaar nog mijn 32ste marathon op het programma meen ik aardig te weten waar de kampioene op doelde, waardoor Dekkers’ verhaal voor mij elke geloofwaardigheid verloor.)

Bedoel ik nu te suggereren dat ook De Lange voor mij een ongeloofwaardig betoog houdt? Ik geef toe: aanvankelijk had ik mijn aarzeling maar al lezende draaide dat bij. Het zou tekort doen aan de alleszins lezenswaardige en behartenswaardige gedachten die het boek rijk is. Bovendien, De Lange schrijft helder en is in staat ook lastige auteurs als Heidegger en Derrida toegankelijk het verhaal binnen te loodsen.

Allengs was zelfs het omgekeerde het geval en vroeg ik me af wat de toegevoegde waarde zou zijn als De Lange zijn grote filosofische en theologische bagage in zijn rugzak mee zou nemen en echt 1024px-Stjacquescompostelle1aan de tocht naar Santiago de Compostella zou beginnen. Voorlopig kan ik daar alleen maar van dromen.

8. De Lange identificeert ‘eeuwig leven’ met momenten van overweldigende intensivering van het besef in leven te zijn. Mijn nieuwsgierige vraag is dan: is het schrijven van dit boek voor de auteur zelf zo’n moment van ‘eeuwig leven’ geweest?

9. De Lange eindigt zijn boek met een mooie beaming van het leven. Uiteindelijk blijft voor mij onbeslist of zijn pelgrimage naar het hart van religie dat hart ook werkelijk gevonden heeft. Zo lijkt het erop dat in de beaming van het leven het bestaan van God er niet toe doet. Beter gezegd, je hebt er God niet voor nodig. Op een ander, eerder moment heeft De Lange het echter over ‘messianiteit als fundamentele structuur van de menselijke verwachting’. Daar bedoelt hij dan toch echt wel iets meer mee dan ‘vooruit denken’, toch? Impliceert dat door de aanduiding alleen al geen afscheid van God? Of is messianiteit net als pelgrimage niet meer dan een metafoor? En als het niet meer is dan dat, welke werkelijkheid wordt dan in dat woord ontsloten?

10. De voorgaande opmerking over het woord ‘messianiteit’ geldt ook voor de metafoor van de pelgrimage. Het interessante van het gebruik van metaforen is dat je het onbekende verkent via het bekende. Je gebruikt dus de kenmerken van de reële pelgrimage als ingang om iets anders te onderzoeken: de pelgrimage naar het hart van religie. Metaforen kunnen daarbij inderdaad heel goed helpen, maar er zit ook een keerzijde aan: de metafoor creëert een eigen werkelijkheid. Anders gezegd, misschien is een verkenning van het hart van religie gebaat bij toepassing van meerdere metaforen zodat een breder beeld ontstaat – onverlet mijn waardering voor het beeld dat De Lange schetst.

11. Tot slot. Beamen van het leven, het gevoel ervaren dat je leeft, wordt dat niet ook bepaald door de Grapevinesnail_01geschiedenis die we met ons meedragen? Nemen we die niet met ons mee als het huisje op de rug van de slak? En zit dat huisje niet vaster op die rug dan de rugzak van de pelgrim?

 

 

Wat was het kloosterverblijf weer een mooie, stimulerende omgeving om met dit intrigerende boek van De Lange bezig te zijn. Zegt dat ook nog iets? Voor mij wel!

 

Frits de Lange, Heilige onrust. Een pelgrimage naar het hart van religie. Utrecht: Ten Have 2017. ISBN 978 90 259 0554 5.

Edward O. Wilson, Het raadsel van het menselijk bestaan. Amsterdam University Press 2014. ISBN 978 90 8964 818 1.

Share
Posted in Boeken | Tagged , , , | 1 Comment

Wat ik leerde toen ik werkte

Morgen lever ik mijn leaseauto in, mijn tankpas, laptop en telefoon. Vandaag de laatste klus gedaan – een mooie opdracht en daarmee waardige finale. Het zit erop. Morgen met pensioen. Het afscheid van de collega’s heeft een paar weken terug al plaatsgevonden, net voor de eerste vakantieperiode begon. Een heel fijne en intieme gebeurtenis waar ik met veel plezier op terugkijk. Ruim 39 jaar fulltime gewerkt en daarvoor enige jaren parttime als student-assistent. Opgeteld niet langer dan in totaal drie, vier weken ziek geweest. Vaak lange dagen gemaakt, veel op de weg gezeten ook. Hard gewerkt, met op de achtergrond het calvinistische arbeidsethos: het gevoel van een opdracht maar ook, vooral de laatste maanden, een diep gevoel van dankbaarheid voor wat mogelijk was. Ik noem het genade.En veel, heel veel geleerd.

Zoals hoe je met collega’s omgaat en met leidinggevenden.

Hoe je je gevoel voor pluis/niet pluis ten aanzien van mensen en situaties cultiveert.

Hoe je leert onderscheiden tussen macht en gezag (geattribueerde macht).

Hoe je leert dat (persoonlijk) leiderschap vooral bestaat uit ‘doen wat bij jou past’ in relatie tot anderen.

Hoe je zelf leiding kunt geven en wat je daar zelf dan weer van vindt.

Hoe je steeds zoekt naar het leveren van toegevoegde waarde voor je opdrachtgever. En dat is echt iets anders dan ‘je eigen ding doen’ (je kunstje vertonen).

Hoe je leert om met feedback om te gaan en hoe lastig dat toch blijft.

Hoe je verantwoordelijkheid moet nemen voor je eigen ontwikkeling en die dus zelf moet organiseren.

Hoe je ‘afscheid neemt’ van een gewaardeerde maar niet goed functionerende collega, zonder enig dossier.

Hoe je bij het ontstaan van een mismatch tussen jou en de organisatie waar je bij werkt, de regie over je eigen bestaan niet uit handen moet geven, opdat je welbevinden niet afhankelijk is van een ander.

Hoe je in tijden van een crisis in de organisatie niet meegesleurd hoeft te worden in de neerwaartse spiraal.

Hoe je merkt dat persoonlijke waardering misschien wel de belangrijkste satisfier is, op welke leeftijd dan ook.

Hoe je leert dat zelfkennis de belangrijkste eigenschap is van een goede manager.

Hoe je leert dat wat je jong leerde soms pas decennia later betekenis krijgt.

Hoe je leert dat je nooit ‘af’ bent en dat je ‘een leven lang leren’ niet hoeft te leren omdat er eenvoudigweg niet aan te ontkomen valt.

Hoe je leert dat de balans tussen privé en zakelijk niet statisch is maar wordt bepaald door de omstandigheden in het privédomein.

Hoe je leert van ‘afkijken’, ook wel ‘rolmodellen’ genoemd. En hoe die rolmodellen geen BN’ers zijn maar mensen die op je pad komen op het moment dat jij daar behoefte aan hebt.

Hoe je leert dat je met taal nieuwe werkelijkheid kunt constitueren.

Share
Posted in Reflecties | 8 Comments

Open Mind (continued) Nr. 120 Wat een mooie innovatie!

Als echte alfa (ik studeerde Nederlands en filosofie en promoveerde in de Letteren) is de wereld van de bètatechniek mij behoorlijk vreemd. Dus toen ik in 2013 vanuit B&T projectleider werd voor de uitvoering van de eerste proefaudits Technasium, vroeg ik me wel af of ik hier hinder van zou ondervinden. Achteraf, we zitten inmiddels in de afronding van de vierde ronde officiële audits, kan ik zeggen dat er een wereld voor me open is gegaan – een heel aangename wereld, welteverstaan.

Aangenaam, omdat ik in mijn 40 jaar arbeidzaam leven in het onderwijs, geen innovatie ben tegengekomen die door de professionals in de scholen (docenten en schoolleiders) met zoveel enthousiasme is ontvangen als deze. (Het studiehuis ging in de richting maar wat is er van over?) Én die – wat de leerlingen betreft – laat zien dat de veelgehoorde verzuchting van docenten (‘het zweet staat op de verkeerde rug’) meer zegt over de staat van het overige onderwijs dan over de motivatie van de huidige leerling. Wat dat betreft zou ik hebben gewild dat minstens twee van mijn inmiddels vier volwassen kinderen indertijd O&O hadden kunnen kiezen. Het zou hun worsteling door het VO aanzienlijk verlicht hebben!

Mooi vind ik ook dat het Technasium landelijk gezien, nadrukkelijk wordt ontwikkeld vanuit een ‘Technasium-gemeenschap’. Natuurlijk weet ik ook wel dat zoiets vooral een evocatief begrip is: het appelleert aan een gemeenschappelijke, schooloverstijgende verantwoordelijkheid met een ingewikkelde balans tussen ‘je verbinden met’ enerzijds en ‘je onderwerpen aan’ anderzijds. Juist in technasium_logode situatie van de audit merk je dat het hemd al snel nader is dan de rok en scholen neigen tot overwaardering van de gegeven situatie in de hoop op begunstiging door de auditors. Op hun beurt vormen die steeds een team dat er in alle gevallen op gericht is om zich een eerlijk, gedeeld en gezamenlijk onderschreven oordeel te vormen.

De kwaliteitssystematiek waarvan ook de huidige audits onderdeel van zijn, is het achterliggende jaar intensief onderzocht en geëvalueerd met een revisie tot gevolg. Zo’n proces van herijken van de eigen kwaliteitsstandaarden en van het opnieuw definiëren van de balans tussen verantwoorden enerzijds en rechtdoen aan schoolontwikkeling anderzijds,  is ingewikkeld en doet een groot beroep op onafhankelijke oordeelsvorming door de schoolvertegenwoordigers die er vervolgens mee te maken zullen krijgen.  Neemt niet weg dat deze krachtsinspanning een verantwoordelijkheid is van de Technasium-gemeenschap als geheel en als die inspanning tot een goed einde wordt gebracht is dat een compliment door die gemeenschap.

Terug naar de scTechnasium Magazine 18_300holen, naar de vele enthousiaste technatoren en O&O-docenten én naar hun leidinggevenden. Telkens weer heerlijk om hen te spreken. Men mag hopen dat die laatsten (de leidinggevenden) hun verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van een goede visie en van goed beleid met het oog op een hechte verankering van het Technasium in de hele breedte van de school, volop nemen.  En dat alles natuurlijk in het belang van de leerling!

Ik heb veel plezier beleefd aan deze opdracht aan het einde van mijn loopbaan, waardoor veel dank aan de Stichting Technasium.

(Deze column verscheen ook in de zomereditie van Magazine Technasium)

Bewaren

Bewaren

Share
Posted in Open Minds | Tagged , , | Leave a comment